Van onze advocaat kindsdeel. Enige tijd geleden heeft het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch uitspraak gedaan over het kindsdeel in een erfenis en het wel of niet bestaan van een natuurlijke verbintenis.

Het geschil tussen partijen heeft betrekking op de verdeling van de nalatenschap van erflater, overleden op 30 september 1997. Aangezien de nalatenschap is opengevallen vóór de inwerkingtreding op 1 januari 2003 van het nieuwe erfrecht dient op grond van het bepaalde in artikel 69 OW NBW het onderhavige geschil beoordeeld te worden naar het voordien geldende recht, met dien verstande dat ingevolge artikel 130 OW NBW de artikelen 4:119 t/m 4:123 en 4:125 BW mede van toepassing zijn op het onderhavige geschil.

Samengevat komen de feiten in deze zaak op het volgende neer.

Appellant heeft vanaf medio 1995 samengewoond met erflater, tot diens overlijden op 30 september 1997. Geïntimeerden zijn de twee zoons van erflater en van diens eerder overleden echtgenote.

Erflater heeft op 21 april 1995 een testament doen opmaken waarin zijn twee zoons als enige erfgenamen worden aangewezen, zulks onder de last van een legaat aan appellant, inhoudende de legatering van het zakelijk recht van gebruik en bewoning van het woonhuis. Op de woning rustte een hypotheek wegens een aan erflater verstrekte geldlening. Omdat na het overlijden van erflater niet meer werd voldaan aan de verplichtingen ter zake van de hypothecaire geldlening, is de bank overgegaan tot executoriale verkoop van de woning.

Appellant stelt zich in de onderhavige procedure op het standpunt dat geïntimeerden de maandelijkse hypotheektermijnen hadden moeten betalen dan wel maatregelen hadden moeten nemen om de executoriale verkoop van de woning te voorkomen.

Haar vordering strekt ertoe dat geïntimeerden de waarde van het aan haar gelegateerde recht van gebruik en bewoning (dat zij door de executoriale verkoop van de woning niet meer kan uitoefenen) aan haar dienen te vergoeden. Zij stelt zich verder op het standpunt dat door het legaat weliswaar tekort wordt gedaan aan het kindsdeel van geïntimeerden maar volgens de advocaat van appellant komt aan hen geen beroep op hun legitieme portie toe omdat de erflater met het opnemen van het legaat in zijn testament heeft voldaan aan een natuurlijke verbintenis.

De advocaat van geïntimeerden heeft zich tegen deze vordering verweerd. Hij stelt dat zij niet gehouden waren de hypoheeklasten met betrekking tot de woning te voldoen, omdat duidelijk was dat verkoop van de woning noodzakelijk was om de vorderingen op de nalatenschap te kunnen voldoen. Zij betwisten dat het legaat ten behoeve van appellant in het testament is opgenomen ter voldoening aan een natuurlijke verbintenis.

De rechtbank heeft de vordering van appellant afgewezen na onder meer te hebben overwogen:

Onbetwist is dat geïntimeerden als erfgenamen van hun moeder als crediteuren in de nalatenschap van hun vader opkomen. In die hoedanigheid hebben zij voorrang op het recht van een legataris, in casu appellant.

Hetzelfde geldt in beginsel voor geïntimeerden in hun positie als legitimaris. Dit zou slechts anders kunnen zijn indien het legaat van de erflater zou moeten worden opgevat als het voldoen aan een natuurlijke verbintenis, die zijn grond vindt in het voldoen door de erflater aan een dringende verplichting van moraal en fatsoen om appellant niet onverzorgd achter te laten.

Er zijn omstandigheden gesteld noch gebleken waaruit zou moeten worden afgeleid dat er jegens appellant sprake was van een dergelijke natuurlijke verbintenis, nog los van het feit dat de redactie van het legaat ook niet de opvatting ondersteunt dat de erflater meende door het maken van dit legaat aan een dergelijke verbintenis te voldoen. Meer in het bijzonder merkt de rechtbank hier nog op dat gesteld noch gebleken is dat appellant ten gevolge van het overlijden van erflater behoeftig is geworden, terwijl ook in de duur van de samenwoning geen aanwijzing voor een dergelijke verbintenis kan worden gevonden.

De natuurlijke verbintenis

De eerste grief van appellant is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het legaat aan appellant niet als de voldoening aan een natuurlijke verbintenis aangemerkt kan worden. Volgens appellant is het legaat in het testament opgenomen met het oog op de voorgenomen samenwoning van erflater met haar in de woning van erflater. Zij wijst verder op het feit dat zij met erflater een samenlevingscontract heeft ondertekend, in welk contract een verblijvensbeding is opgenomen ter voldoening van een door beide contractanten aangenomen natuurlijke verbintenis.

Het hof overweegt omtrent dit geschilpunt allereerst dat de vraag of in een situatie als de onderhavige sprake is van een natuurlijke verbintenis, beantwoord dient te worden aan de hand van de algemene maatstaf zoals deze is geformuleerd in artikel 6:3 lid 2 aanhef en onder b BW, luidende:

Een natuurlijke verbintenis bestaat wanneer iemand jegens een ander een dringende morele verplichting heeft van zodanige aard dat naleving daarvan, ofschoon rechtens niet afdwingbaar, naar maatschappelijke opvattingen als voldoening van een aan die ander toekomende prestatie moet worden aangemerkt.

Of er sprake is van een dringende morele verplichting als in dit artikel bedoeld, dient naar objectieve maatstaven te worden beoordeeld, waarbij de omstandigheden van het geval bepalend zijn (onder meer: Hoge Raad, 15 september 1995 NJ 1996, 616 en HR 1 oktober 2004 NJ 2005,1).

Anders dan appellant lijkt te veronderstellen volgt uit de omstandigheid dat zij met erflater een relatie had en met hem is gaan samenwonen in de woning van erflater niet zonder meer dat het legateren van het recht van gebruik en bewoning aan haar als de voldoening aan een natuurlijke verbintenis moet worden aangemerkt.

In het testament zelf is omtrent een dergelijke beweegreden niets vermeld. Uit de hiervoor vermelde jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat in een situatie als de onderhavige met name acht geslagen moet worden op de wederzijdse welstand en de behoefte van partijen (in dit geval van erflater en appellant).

Omtrent die welstand en behoefte is door appellant echter niets aangevoerd. Weliswaar kan uit de successieaangifte worden opgemaakt wat de financiële situatie van erflater was ten tijde van zijn overlijden, maar omtrent de financiële situatie van haarzelf heeft appellant niets gesteld, ook niet in hoger beroep, hoewel de inhoud van het vonnis van de rechtbank hiertoe alle aanleiding gaf.

Door appellant zijn evenmin andere feiten of omstandigheden aangevoerd die aanknopingspunten zouden kunnen bieden voor het aannemen van een dringende morele verplichting van erflater jegens haar in de zin van artikel 6:3 BW.

Naar het oordeel van het hof is de opname van het verblijvensbeding van het samenlevingscontract ontoereikend om ook ten aanzien van het legaat van het recht van gebruik en bewoning een natuurlijke verbintenis aan te nemen, dit in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen.

Heeft u vragen over het kindsdeel, over een natuurlijke verbintenis of over een testament of een verblijvensbeding, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan ook onze pagina verdelen van een erfenis. Klik daarvoor hier.