Van onze advocaat kindsdeel. De Rechtbank ’s-Hertogenbosch heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over het wettelijk erfdeel, de verzorgingsbehoefte van de langstlevende echtgenoot en de waardering van onroerend goed (de woning in de nalatenschap).
Kern van het geschil is of de toedeling en onderwaardering van de onroerende zaken bij het aangaan van de huwelijkse voorwaarden aan gedaagde op enigerlei wijze kan leiden tot het oordeel dat de erfgenamen in deze procedure benadeeld geacht kunnen worden, op welke wettelijke grondslag dan ook.
De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. Vast staat dat de huwelijksgemeenschap van gedaagde en erflater is beëindigd door het aangaan van de huwelijkse voorwaarden en de daarop volgende scheiding en deling. Door de verdeling, en het is aan de desbetreffende huwelijkspartners te bepalen hoe zij wensen te verdelen, is hetgeen eerst gemeenschappelijk was, komen te vallen in te onderscheiden vermogens van enerzijds erflater en anderzijds gedaagde.
Deze verdeling is rechtens onaantastbaar en de aan gedaagde toebedeelde onroerende zaken behoren daardoor niet (meer) tot het vermogen van erflater.
De nalatenschap van erflater is daarmee dus beperkt tot hetgeen bij de scheiding en deling aan erflater is toegedeeld en bij zijn overlijden nog tot zijn vermogen behoorde, namelijk de roerende zaken, banktegoeden en effecten.
Aan de erfgenamen komt derhalve geen beroep toe op artikel 4:1170 BW voor zover gebaseerd op benadeling door toedeling van de onroerende zaken aan gedaagde. De genoemde onroerende zaken behoorden op tijdstip van overlijden niet tot de nalatenschap van erflater
Vervolgens is dan aan de orde of de ouderlijke boedelverdeling vernietigd kan worden op grond van het bepaalde in artikel 4:1170 BW dan wel toepassing gegeven kan worden aan artikel 4:967 BW.
Door de ouderlijke boedelverdeling is het recht van de legitimarissen op hun wettelijke erfdeel in die zin beperkt dat zij geen aanspraak meer kunnen maken op de goederen die tot de nalatenschap behoren (de roerende goederen, de banktegoeden en de effecten) maar enkel op verkrijging van de waarde van hun wettelijk erfdeel.
Vast staat dat ieder der erfgenamen voor hetzelfde deel gerechtigd is tot de waarde van de goederen van erflater en dat door de toedeling van de goederen van erflater aan gedaagde, eisers vorderingen op haar hebben ter hoogte van hun aandeel in de waarde van de goederen, die eerst opgeëist kunnen worden bij overlijden van gedaagde. Ten onrechte stelt gedaagde dat die vorderingen rentedragend zijn; uit het testament blijkt dat ze renteloos zijn gesteld.
De advocaat van [eisers heeft gesteld dat daardoor de contante waarde van die vorderingen, met name ook gelet op de leeftijd van gedaagde (zij was dertig jaar jonger als erflater en ongeveer van dezelfde leeftijd als eisers), meer dan een kwart lager is dan de nominale waarde van de vorderingen. Gedaagde heeft dit niet gemotiveerd betwist, behalve door (onjuist) te stellen dat de vorderingen wel rentedragend zijn. De ouderlijke boedelverdeling is in zoverre vernietigbaar.
De rechtbank begrijpt evenwel uit de stellingen van de kinderen van erflater dat zij met name vernietiging van de niet-opeisbaarheidsclausule in de boedelverdeling wensen en voor het overige de verdeling in stand willen laten en dat zij derhalve slechts uitbetaling van hun erfdeel vorderen.
Door de advocaat van eisers is gesteld dat de, door erflater in het testament verwoorde, verzorgingsbehoefte van gedaagde de niet opeisbaarheid van hun vorderingen niet rechtvaardigt.
Daarbij hebben zij gesteld dat gedaagde thans de ouderlijke woning te koop heeft aangeboden voor fl. 2.400.000,- en dat de woning ook al is verkocht. Gedaagde heeft niet betwist dat de woning verkocht is maar heeft niet vermeld voor welke waarde zodat van de juistheid van die stelling uit wordt gegaan. Verder is niet in geschil dat gedaagde zelf inkomsten uit arbeid heeft, en door gedaagde zijn geen feiten en omstandigheden aangedragen waaruit blijkt van een momenteel dusdanige verzorgingsbehoefte dat gedaagde die niet-opeisbaarheid nog langer kan tegenwerpen aan de overige erfgenamen.
Hieruit volgt dat de vorderingen van eisers door vernietiging van de niet-opeisbaarheidsclausule in beginsel aanspraak kunnen maken op hun erfdeel. Blijkens het testament komt in het geval de erfgenamen hun erfdeel opeisen hen slechts de legitieme toe, zodat de meer subsidiaire vordering kan worden toegewezen.
Vervolgens is dan de vraag aan de orde of de, volgens eisers, in waarde overbedeling van gedaagde ten gevolge van de toedeling aan haar van de (volgens hen te laag gewaarde) onroerende zaken is aan te merken als een gift in de zin van artikel 4:967 BW die betrokken moet worden bij bepaling van de omvang van de legitieme.
In beginsel is sprake van een gift of schenking indien degene die verarmd is de verrijking van de ander gewild heeft, zonder dat daaraan een wettelijke verplichting of natuurlijke verbintenis ten grondslag ligt. Indien de stellingen van eisers ten aanzien van de (bewuste) onderwaardering van de onroerende zaken juist zijn, kan die verrijking feitelijk worden aangenomen.
Uit het verzoekschrift tot opheffing van de gemeenschap van goederen en het maken van huwelijksvoorwaarden blijkt, volgens eigen verklaring van gedaagde en, met name van belang, erflater, dat de echtelijke woning hoofdzakelijk door het eigen vermogen van gedaagde en haar inkomen is aangekocht en onderhouden en gedaagde geen pensioen van erflater ontvangt en er aldus een verzorgingsbehoefte van gedaagde bestaat die volgens het testament van erflater als een natuurlijke verbintenis te beschouwen is. De onroerende zaken zijn deswege aan gedaagde toebedeeld. Eisers hebben deze uit het verzoekschrift blijkende omstandigheden betwist en ontkennen dat die natuurlijke verbintenis bestaat.
Natuurlijke verbintenis : de verzorgingsgedachte en het wettelijke erfdeel
Naar oordeel van de rechtbank kunnen er, ook indien die natuurlijke verbintenis niet aanwijsbaar is, rechtens niet afdwingbare maar daarom niet minder rechtvaardige redenen zijn om over te gaan tot een verrijking van een ander, met name indien dit verband houdt met de positie van de (verwachte) langstlevende. De wetgever heeft dit ook voor ogen gehad met, het nog in werking te treden, artikel 4:69 BW, alwaar giften tussen echtgenoten onderling, indien gedaan uit hoofde van een morele verplichting, niet mee worden genomen bij de bepaling van de omvang van de legitieme. Hoewel dit artikel, bij inwerkingtreding van de wet, geen terugwerkende kracht heeft ten aanzien van reeds opengevallen nalatenschappen, is de rechtbank van oordeel dat nu dit artikel uitdrukking geeft aan een al lang bestaande tendens de positie van de langstlevende echtgenoot te verbeteren, hierbij in onderhavig geval aansluiting kan worden gezocht door de term ‘gift’ in de zin van artikel 4:967 BW bij verrijking van de ene echtgenoot door de ander, restrictief uit te leggen en niet te snel aan te nemen dat die morele verplichting dan wel natuurlijke verbintenis niet bestaat.
In dit geval is de rechtbank van oordeel dat, naast de (subjectieve) door erflater gevoelde onderhoudsverplichting er objectieve redenen zijn om die onderhoudsverplichting reëel te achten. Deze is met name gegeven door het aanmerkelijke leeftijdsverschil tussen erflater en gedaagde waardoor voorzienbaar was dat gedaagde reeds op jonge leeftijd weduwe zou worden en anderzijds waarschijnlijk was dat de (andere) erfgenamen, gelet op hun aan gedaagde gelijke leeftijd, vermoedelijk aanspraak op hun erfdeel zouden maken en de ouderlijke boedelverdeling (met name de niet-opeisbaarheidsclausule) niet zouden respecteren. Gedwongen verkoop van de ouderlijke woning, die gedaagde vermoedelijk niet uit zichzelf kon permitteren, zou dan te verwachten zijn, hetgeen naar objectieve maatstaven reden kan zijn dusdanige voorzieningen te treffen teneinde dit te voorkomen. Van een gift in de zin van voornoemd artikel is gelet op die omstandigheden in dit geval naar oordeel van de rechtbank geen sprake.
De opvatting dat in deze situatie wel sprake is van een gift in de zin van artikel 4:967 BW zou bovendien leiden tot, onwenselijke, ongelijkheid met de gevallen waarin echtelieden, staande het huwelijk, alsnog een gemeenschap vormen, hetgeen blijkens jurisprudentie van de Hoge Raad (17 maart 1971, NJ 1972, 136) ook ingeval van daardoor ontstane verrijking van de (eerst) armere echtgenoot niet te beschouwen is als gift, terwijl die opvatting in haar gevolg dezelfde uitwerking heeft voor eventuele legitimarissen als in onderhavig geval, namelijk dat hun erfdeel wordt ingekort met het deel waarmee de ander is verrijkt zonder dat zij zich daartegen kunnen verweren. De rechtbank is van oordeel dat er voor die ongelijkheid ten aanzien van de (gevolgen voor de) erfgenamen geen rechtvaardiging is te vinden in de enkele omstandigheid dat in dit geval de huwelijksgemeenschap wordt gescheiden (teneinde te voldoen aan een verzorgingsbehoefte) terwijl dit in het andere geval evenzeer het motief kan zijn om tot het sluiten van een huwelijksgemeenschap te komen.
Al hetgeen de kinderen stellen over de (onder)waardering van het onroerende zaken en de toedeling daarvan aan gedaagde behoeft derhalve geen verdere bespreking meer. De vordering tot hertaxatie wordt afgewezen
Heeft u vragen over de ouderlijke boedelverdeling, over het opvragen van het kindsdeel of over de waardering van onroerend goed in de nalatenschap, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een nalatenschap, bezoek dan ook onze pagina over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.