Van onze advocaat kindsdeel. Het Gerechtshof Amsterdam heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over een vordering uit hoofde van een ouderlijke boedelverdeling (artikel 1167 OBW) en over de wijze van verdeling van deze vordering.

De man voert twee grieven aan, die zich voor gezamenlijke behandeling lenen. Volgens de man heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat erflater aan de echtgenote het vruchtgebruik van zijn nalatenschap heeft toebedeeld.

Blijkens het testament is sprake van een ouderlijke boedelverdeling naar oud recht. Voorts overweegt de rechtbank ten onrechte dat tijdens het huwelijk van partijen nooit een rechtens afdwingbaar vorderingsrecht van de vrouw op de echtgenote heeft bestaan, omdat de vordering toen niet opeisbaar is geworden.

Volgens de man kan de vrouw vaststelling van de omvang van de vordering van de vrouw op de echtgenote rechtens afdwingen. De vordering is door het ontbreken van een testamentaire uitsluitingsclausule in de huwelijksgoederengemeenschap van partijen gevallen. De man is niet bekend met de omvang van de nalatenschap van erflater, waardoor hij niet op de hoogte is van de omvang van de vordering van de vrouw op de echtgenote. De vrouw dient met de echtgenote in overleg te treden om de waarde van de nalatenschap in onderling overleg vast te stellen, zoals beschreven in het testament van erflater. De omstandigheden dat de hoogte van de vordering nog moet worden vastgesteld en dat de vordering op dit moment nog niet opeisbaar is, staan niet aan toedeling van de helft van die vordering aan de man in de weg, aldus de man.

De vrouw wijst erop dat na het overlijden van erflater geen aangifte gedaan behoefde te worden voor het (toen nog genaamd) recht van successie. Aangifte is ook daadwerkelijk achterwege gebleven en er is geen aanslag opgelegd. Voor het geval er al een voor verdeling vatbare, niet-opeisbare vordering zou bestaan, geldt dat die vordering niet bepaalbaar is. Als gevolg hiervan is die vordering niet in de gemeenschap van goederen van partijen gevallen. In eerste aanleg heeft zij voorts aangevoerd dat de vordering ook ongewis is, om reden dat de echtgenote bevoegd is hetgeen zij uit de erfenis heeft verkregen te verteren, zodat onduidelijk is wat er van het erfdeel van de vrouw nog over zal zijn op het moment dat haar vordering opeisbaar wordt.

Vordering uit hoofde van een ouderlijke boedelverdeling. Wijze van verdeling van deze vordering.

Het hof overweegt als volgt.

De man betoogt terecht dat uit de bewoordingen van het testament blijkt dat erflater een ouderlijke boedelverdeling als bedoeld in artikel 1167 (oud) en volgende van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft gemaakt. Van een vruchtgebruik op de nalatenschap ten behoeve van de echtgenote is dus geen sprake.

De ouderlijke boedelverdeling is een rechtsfiguur die niet meer voorkomt in het huidige erfrecht, dat op 1 januari 2003 in werking is getreden. Ingevolge artikel 127 jo. 79 Overgangswet NBW geldt dat een rechtshandeling zoals een testamentaire making niet nietig of vernietigbaar is geworden door de inwerkingtreding van het huidige erfrecht. Dit betekent dat de vermogensrechten die de vrouw en de echtgenote krachtens het testament hadden verkregen door de invoering van het huidige erfrecht geen veranderingen hebben ondergaan.

Ingevolge artikel 1:94 lid 2 BW geldt voorts als uitgangspunt dat de goederen die de vrouw uit de nalatenschap heeft verkregen in de huwelijksgoederengemeenschap van partijen vallen. Dat dit wellicht niet de bedoeling van erflater is geweest kan daaraan niet afdoen, nu een testamentaire uitsluitingsclausule ontbreekt.

De vrouw meent echter dat dit uitgangspunt in het onderhavige geval niet opgaat. Krachtens het testament heeft de vrouw een vordering in contanten verkregen op de echtgenote ter hoogte van haar erfdeel. Vast staat dat de vrouw en de echtgenote nimmer de omvang van die vordering hebben vastgesteld. De vordering heeft derhalve een onbepaalde waarde. Bovendien is deze vordering ingevolge het bij het testament bepaalde thans nog niet opeisbaar, nu tot aan de peildatum geen van de voorwaarden voor die opeisbaarheid in vervulling is gegaan. De kans bestaat dat de echtgenote, op het moment dat de vordering wel opeisbaar wordt, het erfdeel van de vrouw geheel of grotendeels heeft verteerd. Op grond daarvan meent de vrouw dat haar vordering op de echtgenote niet voor verdeling in aanmerking komt.

Het hof volgt de vrouw daarin niet. Ook een vordering waarvan de omvang (nog) niet vast staat is een vermogensrecht in de zin van artikel 3:6 BW, en dus een goed als bedoeld in artikel 1:94 lid 2 BW.

Ook een dergelijke vordering komt derhalve in aanmerking voor verdeling. Voor zover de vrouw bedoeld heeft te betogen dat verdeling van de vordering niet mogelijk is omdat het vereiste van voldoende bepaaldheid daaraan in de weg staat, gaat het hof daaraan voorbij. Weliswaar wordt door artikel 3:84 lid 2 BW die eis gesteld, maar het is mogelijk aan ieder der partijen reeds thans de helft van de op een later moment nog te bepalen waarde van de vordering op de echtgenote toe te delen. Zo bezien is die vordering voldoende bepaalbaar.

Ook de omstandigheid dat de vordering op de peildatum niet opeisbaar was staat niet in de weg aan de verdeling daarvan, zij het dat beide partijen jegens de echtgenote de voorwaarden voor opeisbaarheid ervan dienen te respecteren.

Evenmin staat aan verdeling in de weg de mogelijkheid dat ten tijde van het opeisbaar worden van de vordering het erfdeel van de vrouw door de echtgenote geheel of gedeeltelijk zou zijn verteerd.

Dit doet immers niet af aan het bestaan van de vordering, maar betreft een verhaalrisico, dat aan de verdeling van de vordering op zichzelf niet in de weg staat. Dat de erfgenamen destijds geen aangifte voor het recht van successie hebben gedaan betekent evenmin dat geen te verdelen vordering is ontstaan.

De vrouw heeft zich in eerste aanleg nog beroepen op het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 1 juli 2014 (GHSHE:2014:1999). Die vergelijking gaat evenwel niet op, nu de in die zaak in het geding zijnde vordering een toekomstige, derhalve nog niet bestaande vordering betrof, waar het in het onderhavige geval gaat om een bestaande, zij het nog niet opeisbare, vordering.

Uit het voorgaande volgt dat de vordering van de vrouw op de echtgenote in de ontbonden huwelijksgemeenschap valt en voor verdeling in aanmerking komt. De bestreden beschikking kan op dit punt dan ook niet in stand blijven. Het hof zal de verzochte verklaring voor recht afgeven.

Het verzoek van de man de vordering onverdeeld te laten totdat deze op grond van het testament van erflater opeisbaar is geworden, is niet op de wet gebaseerd en zal derhalve worden afgewezen.

Het subsidiaire verzoek van de man om in goede justitie de verdeling van de vordering te gelasten komt wel voor toewijzing in aanmerking. Het hof acht toedeling van de vordering aan de vrouw, onder de verplichting om de helft van de waarde daarvan te voldoen aan de man de meest gerede wijze van verdeling.

Daarbij moet evenwel rekening worden gehouden met het feit dat aan de thans nog niet opeisbare vordering een incassorisico is verbonden. Het hof zal daarom bepalen dat de vrouw slechts gehouden is de helft van hetgeen zij te zijner tijd daadwerkelijk op deze vordering weet te innen aan de man uit te keren. Daarbij overweegt het hof dat de vrouw door de man niet kan worden gehouden om voor het opeisbaar worden van de vordering tot inning daarvan over te gaan.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening of over de verdeling van een nalatenschap, over het kindsdeel of over de legitieme of over de berekening van de omvang of waarde van het erfdeel of van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.