Van onze advocaat kindsdeel. De Rechtbank Gelderland heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan de vaststelling van de omvang van een erfdeel, over inzage in of het verstrekken van afschriften en bescheiden en het afleggen van rekening en verantwoording.

Nu het geschil tussen partijen betrekking heeft op een nalatenschap en erflater zijn laatste woonplaats in Nederland had, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 6 aanhef en onder g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevoegd over het geschil te oordelen.

Het geschil tussen partijen heeft betrekking op de samenstelling en omvang van de nalatenschap van erflater.

Volgens opgave van gedaagde bestonden de bezittingen van erflater ten tijde van zijn overlijden uit de helft van het saldo ad € 2.338,74 van de gezamenlijke bankrekening van erflater en gedaagde, derhalve € 1.169,37, alsmede enkele inboedelgoederen ouder dan achttien jaar en dus van geringe waarde, waaronder zes schilderijtjes, twee oosterse tapijten, een “sta-op-stoel” en een postzegelverzameling. Gelet op de kosten inzake het overlijden en de crematie van erflater van € 3.413,23, is sprake van een tekort in de nalatenschap, aldus de advocaat van gedaagde.

De advocaat van eisers heeft de juistheid van de opgave van gedaagde weersproken en gesteld dat het, gelet op de inkomsten en het vermogen van erflater in het verleden, niet juist kan zijn dat zich weinig in de boedel bevindt. Ter verkrijging van duidelijkheid omtrent de nalatenschap vordert zij afgifte van een aantal bescheiden. Hieromtrent wordt het volgende overwogen.

Op grond van artikel 4:78 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een legitimaris die niet erfgenaam is jegens de erfgenamen en de met het beheer der nalatenschap belaste executeurs aanspraak maken op inzage en een afschrift van alle bescheiden die hij voor de berekening van zijn legitieme portie behoeft en verstrekken zij hem desverlangd alle daartoe strekkende inlichtingen.

Vaststellen omvang erfdeel. Inzage in bescheiden.

Eiser is geen legitimaris en geen erfgenaam, nu erflater in zijn testament aan ieder van zijn kinderen een legaat heeft toegekend van een bedrag gelijk aan het erfdeel dat elk kind zou hebben gekregen als erflater geen wijziging zou hebben gebracht in de wettelijke erfopvolging.

Omdat het voor de berekening van dit bedrag nodig is het saldo van de nalatenschap te kennen, maakt eiser in dit geval ook als legataris jegens gedaagde als executeur aanspraak op inzage en een afschrift van alle bescheiden die nodig zijn om het legaat te berekenen en dient gedaagde desverlangd alle daartoe strekkende inlichtingen te verschaffen.

Voor de berekening van de omvang van het legaat dienen in elk geval verstrekt te worden een overzicht van alle goederen op het moment van overlijden van erflater en een overzicht van alle schulden van de nalatenschap in de zin van artikel 4:7 lid 1 BW (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 31 december 2013, GHARL:2013:9942).

Eiser heeft de door haar verlangde schriftelijke informatie nader gespecificeerd. Allereerst zal worden ingegaan op de bescheiden waarvan afgifte wordt gevorderd. De gevraagde bescheiden met betrekking tot de woningen in Duitsland zijn reeds aan eiser verstrekt. Bij conclusie heeft gedaagde een kopie van de bij de huwelijkse voorwaarden van 31 december 1982 behorende beschrijving van huwelijksaanbrengsten overgelegd. Uit die beschrijving blijkt dat de woning ten tijde van het opmaken van die huwelijkse voorwaarden eigendom was van gedaagde. Reeds bij brief van 27 juli 2013 was door gedaagde een kopie verstrekt van een Duitse notariële akte (“Urkunde”) van 26 juli 2013 waarin gedaagde is vermeld als enig eigenaar van de woningen in Duitsland en waarbij die woningen per genoemde datum aan haar kinderen in eigendom zijn overgedragen.

Bij voornoemde brief was tevens een kopie van de tussen erflater en gedaagde overeengekomen huwelijkse voorwaarden aan eiser verstrekt. Daarom geldt dat, afgezien van de vraag of eiser recht had op verstrekking van genoemde stukken, eiser geen belang (meer) heeft bij afgifte van deze stukken.

Na de comparitie van partijen heeft eiser met toestemming van gedaagde Rabobank verzocht om kopieën van een “en/of rekening” van erflater en gedaagde en een rekening op naam van gedaagde vanaf 25 februari 2010.

Deze kopieën zijn ontvangen en door eisers ingebracht bij akte van 7 december 2016. Eiser vordert kopieën van alle spaar- en betaalrekeningen op naam van erflater en/of gedaagde, maar zij heeft niet (onderbouwd) gesteld dat er naast de bankrekeningen waarvan thans bankafschriften zijn verstrekt, nog andere rekeningen zijn aangehouden die relevant zijn voor de vaststelling van de omvang van de nalatenschap van erflater.

Het voorgaande betekent dat de vordering zal worden afgewezen.
Met vordering II vordert eiser informatie met betrekking tot de andere woningen. Uit de door gedaagde overgelegde stukken (de hiervoor genoemde beschrijving van huwelijksaanbrengsten en de “Urkunde”) blijkt echter dat (alleen) gedaagde eigenaar van genoemde woningen was en dat zij deze woningen in 2013 in eigendom heeft overgedragen aan haar twee kinderen.

Op grond hiervan moet worden aangenomen dat de twee woningen niet (deels) in de nalatenschap van erflater vallen. Dat erflater de woning heeft gefinancierd, zoals eiser heeft gesteld en door gedaagde is betwist, doet hier niet aan af.

Nu de woningen niet in de nalatenschap van erflater vallen, heeft eiser geen recht op informatie over de huurinkomsten en de vermogensbelasting met betrekking tot beide woningen. Daarom zal ook vordering II worden afgewezen.

Naar aanleiding van de van Rabobank ontvangen bankafschriften heeft eiser bij akte een aantal reacties en vragen naar voren gebracht, waarover zij uitsluitsel van gedaagde wenst te verkrijgen.

Rekening en verantwoording

De reacties/vragen van eiser hebben de strekking gedaagde rekening en verantwoording te laten afleggen over de periode voor het overlijden van erflater. Eiser heeft echter nagelaten hierop een vordering af te stemmen.

Bovendien kan volgens vaste jurisprudentie een verplichting tot het doen van rekening en verantwoording slechts worden aangenomen indien tussen partijen een rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan, krachtens welke de één jegens de ander verplicht is om zich omtrent de behoorlijkheid van enig vermogensrechtelijk beleid te verantwoorden.

Een zodanige verhouding kan voortvloeien uit de wet, een rechtshandeling of uit hetgeen onder bepaalde omstandigheden volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt (Hoge Raad, 8 december 1995, HR:1995:ZC1911).

Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat tussen erflater en gedaagde sprake is geweest van een rechtsverhouding op grond waarvan gedaagde het vermogen van erflater beheerde, zodat een verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording in het onderhavige geval niet kan worden aangenomen.

De stelling van eiser dat gedaagde de handtekening van erflater namaakte is – na gemotiveerde betwisting van gedaagde – niet nader onderbouwd. Eiser heeft gesteld dat sprake is geweest van dubieuze geldopnames en dat zij vermoedt dat [gedaagde] stelselmatig geld van de rekening van erflater heeft gesluisd naar rekeningen die alleen op haar eigen naam stonden.

Zelfs al zou komen vast te staan dat gedaagde geldbedragen van een bankrekening van erflater heeft opgenomen dan wel tot een hoger bedrag dan waarop gedaagde aanspraak had geldbedragen heeft opgenomen van de gezamenlijke bankrekening van erflater en gedaagde, dan betekent dit echter nog niet dat dit buiten medeweten van erflater en/of zonder zijn goedvinden is gedaan. Erflater had hiertegen kunnen protesteren maar heeft dat niet gedaan, zodat ervan uitgegaan moet worden dat erflater dat – om hem moverende redenen – niet heeft gewild. Dit geldt ook voor de betalingen die zijn gedaan aan de dochter van gedaagde. Het voorgaande betekent dat voorbijgegaan wordt aan de door [eisers] bij akte opgeworpen vragen en reacties.

Nu eiser onvoldoende heeft aangevoerd om te oordelen dat de omvang en de samenstelling van de nalatenschap van erflater afwijkt van hetgeen gedaagde heeft opgegeven, moet ervan worden uitgegaan dat die nalatenschap negatief is. De vordering over te gaan tot vereffening en verrekening van de onverdeelde boedel en uitkering te doen aan eiser zal derhalve worden afgewezen. Eiser zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een nalatenschap, over het kindsdeel of over de legitieme, de berekening of vaststelling van de omvang van een erfdeel, over een legaat of over het afleggen van rekening en verantwoording in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.