Van onze advocaat kindsdeel. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 22 augustus 2017 uitspraak gedaan over de zekerheidstelling voor de erfdelen van de kinderen in een erfenis.

Kern van het verweer van appellante tegen de thans gevorderde voorziening is dat zij financieel niet in staat is zekerheid te stellen. De argumenten die de advocaat van appellante thans naar voren brengt en de producties die zij ter onderbouwing daarvan overlegt hebben (deels) de strekking dat zij niet gehouden is om de zekerheid te stellen.

De vraag die thans wel voorligt is of de veroordeling van appellante om zekerheid te stellen kan worden versterkt met een dwangsom nu zij niet vrijwillig aan de veroordeling voldoet. De beoordeling daarvan geschiedt ex nunc.

Zekerheidstelling voor de erfdelen in een nalatenschap

Het komt derhalve aan, gelet op het verweer van appellante, op het antwoord op de vraag of appellante nu al dan niet in de onmogelijkheid verkeert zekerheid te stellen. Oplegging van een dwangsom is immers niet toelaatbaar als appellante in de onmogelijkheid verkeert om aan de veroordeling te voldoen en overigens ook niet mogelijk voor zover geïntimeerden daarmee betaling (ten titel van zekerheid) aan hen zelf willen afdwingen, zulks gelet op artikel 611a lid 1, slotzin Rv.

Geïntimeerden hebben zich niet uitgelaten over de wijze waarop zij de zekerheid gesteld willen zien. Appellante kan evenwel ook langs andere wegen dan betaling aan geïntimeerden zekerheid stellen, bijvoorbeeld door het verstrekken van een bankgarantie (eventueel met de overwaarde van de woning als onderpand), dan wel het stellen van hypotheek ten gunste van geïntimeerden

Tussen partijen, zo begrijpt het hof hen, is niet in geschil dat appellante geen medewerking krijgt van de bank voor deze wijze van zekerheidstellingen. Bovendien vergt een veroordeling om op deze wijze zekerheid te stellen een nader onderzoek, waarvoor in kort geding geen plaats is.

Zekerheid kan ook worden gesteld door storting van geld op een bankrekening waar het dan blijft staan. Geïntimeerden beroepen zich ter onderbouwing van hun stelling dat appellante in staat is om zekerheid te stellen op de verhoging van de hypotheek op de woning gevolgd door opnames in 2011 en 2012 tot het beloop van € 81.000,= . Dat geld zou appellante mogelijk nog (deels) onder zich hebben. Appellante voert daartegen aan dat zij deze bedragen in het verleden heeft aangewend voor haar levensonderhoud, omdat haar inkomsten te gering zijn. Haar inkomsten begroot zij op minder dan € 14.000,= per jaar. Uit de overgelegde bankafschriften blijkt van een nabestaandenpensioen van minder dan € 600,= netto per maand (bijna € 1.000,= bruto per maand).

Het hof overweegt als volgt. Nu de onderhavige procedure een kort geding betreft is voor een verder onderzoek naar de financiële positie van appellante geen plaats. Het hof acht voorshands niet onaannemelijk dat een deel van de opnames is aangewend voor levensonderhoud en niet meer beschikbaar is voor zekerheidstelling. Geïntimeerden opperen slechts dat appellante nog over (een deel van) dit geld beschikt, maar zij onderbouwen die stelling niet en geven ook niet aan waar dat geld zou zijn.

Gelet op de betwisting door appellante kan derhalve niet met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat zij over geld beschikt om zekerheid te stellen. In het kader van dit kort geding is dan geen plaats voor het opleggen van een dwangsom.

Het hof heeft uit de gedingstukken opgemaakt dat appellante is geboren in 1951 en dus sinds kort in aanmerking komt voor AOW en derhalve sedertdien aanvullende inkomsten geniet. Voor een alleenstaande is de uitkering ongeveer € 750,= per maand.

Onder deze omstandigheid acht het hof appellante voorshands wel in staat om maandelijks – ingaande per 1 [maand] 2017 – vóór het einde van elke maand, een bedrag van bijvoorbeeld € 350,= te storten op  bankrekening (en daar aan te houden) totdat zij aan haar zekerheidstellingverplichting heeft voldaan.

Een daartoe strekkende veroordeling kan worden versterkt met een dwangsom van € 100,= voor elke maand dat zij achterstallig is met de voldoening, met een maximum van € 15.000,=. Het hof gaat er vanuit dat achterstallige termijnen binnen de termijn van twee maanden na betekening van dit arrest kunnen zijn gestort.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de verdeling van een erfenis, over het kindsdeel of over de legitieme of over zekerheidsstelling van het kindsdeel of de legitieme. Belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.