Van onze advocaat kindsdeel. De Rechtbank Limburg heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over een door een erfgenaam voor overlijden van erflater van bankrekening onttrekken van gelden.

De erfgenaam heeft op 9 en 13 maart 2012 telkens een bedrag van € 5.000,00 van de bankrekening bij de Rabobank opgenomen, in de drie jaar voorafgaand aan het overlijden van de vader in totaal een bedrag van € 16.877,64 overgeboekt van de bankrekening bij de SNS Bank naar zijn eigen bankrekening en in totaal een bedrag van € 22.513,41 gepind van de bankrekening bij de SNS Bank.

Hiermee heeft erfgenaam onrechtmatig gehandeld, zowel jegens de ouders als jegens zijn broers en zussen.

Hoewel de erfgenaam door de ouders was gemachtigd om hun bankzaken te beheren, was de vader vanaf 2012 niet meer compos mentis.

Hij is om die reden in 2012 opgenomen in een verpleeghuis. In 2013 is de vader overgeplaatst naar de gesloten afdeling van het verpleeghuis. De moeder was, zo begrijpt de rechter, evenmin nog in staat de belangen van de vader en haarzelf waar te nemen.

De erfgenaam heeft de betreffende bedragen dan ook zonder toestemming van de ouders respectievelijk (na het overlijden van de moeder) zonder toestemming van de vader opgenomen, wat onrechtmatig is.

Hij heeft ook onrechtmatig gehandeld jegens zijn broers en zussen, omdat hij de tussen broers en zussen geldende zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden. De erfgenaam heeft immers de vordering die de overige erfgenamen en hijzelf uit hoofde van onderbedeling in het kader van de verdeling van de nalatenschap van de moeder hadden op de vader illusoir gemaakt.

Door erfgenaam voor overlijden erflater van bankrekening onttrokken gelden.

De rechter oordeelt als volgt.

Tussen partijen is niet in geschil dat de erfgenaam door de ouders was gemachtigd om hun bankrekeningen te beheren en hun bankzaken te regelen.

Evenmin is in geschil dat de erfgenaam de door de overige erfgenamen genoemde bedragen heeft opgenomen dan wel naar zijn bankrekening heeft overgeboekt.

Gelet op het bestaan van die machtiging moet de rechter in beginsel ervan uitgaan dat de erfgenaam toestemming had voor de door hem uitgevoerde transacties en kan niet worden geconcludeerd dat de erfgenaam onrechtmatig heeft gehandeld jegens de ouders dan wel (na het overlijden van de moeder) jegens de vader.

Dit alles is slechts anders als vast zou komen te staan dat de erfgenaam de geldbedragen zónder toestemming van de ouders dan wel (na het overlijden van de moeder) de vader zou hebben verricht.

Dan geldt dat de erfgenaam daarmee onrechtmatig heeft gehandeld jegens de ouders dan wel (na het overlijden van de moeder) jegens de vader.

Dat zou de erfgenaam schadeplichtig maken jegens hen, in die zin dat hij de onrechtmatig opgenomen geldbedragen aan hen zou dienen te vergoeden.

Àls vast zou komen te staan dat de ouders dan wel (na het overlijden van de moeder) de vader, uit hoofde van onrechtmatige daad een vordering op de erfgenaam hadden ter grootte van het door hem onrechtmatig opgenomen bedrag én als tevens vast zou komen te staan dat die vordering voor het overlijden van de vader nog niet was voldaan, dan geldt dat de nalatenschap een vordering heeft op de erfgenaam ter grootte van dat bedrag.

De met die vordering corresponderende schuld van de erfgenaam aan de nalatenschap kan, zoals hiervoor is overwogen, in het kader van de verdeling van de nalatenschap op de voet van artikel 3:184 BW en/of artikel 4:228 BW op zijn aandeel in de nalatenschap worden toegerekend.

Wat betreft het beweerdelijk onrechtmatig handelen van de erfgenaam jegens zijn broers en zussen, merkt de rechter op dat in deze procedure geen vordering is ingesteld op basis waarvan de erfgenaam zou kunnen worden veroordeeld tot betaling van enig bedrag aan de erfgenamen en eventueel aan de andere erfgenamen. De rechter komt dan ook niet toe aan de beantwoording van de vraag of de erfgenaam onrechtmatig heeft gehandeld jegens zijn broers en zussen.

Nu de erfgenamen stellen dat alle opnamen door de erfgenaam zonder toestemming zijn verricht en hij in dit verband tevens stelt dat de ouders niet meer in staat waren hun belangen behoorlijk waar te nemen, terwijl de erfgenaam dat betwist, zullen de erfgenamen moeten bewijzen dat de ouders vanaf het moment waarop de eerste onrechtmatige opname van € 5.000,00 is gedaan, niet meer in staat waren hun belangen behoorlijk waar te nemen.

De erfgenamen hebben niet concreet gesteld wanneer de eerste volgens hem onrechtmatige opname of overboeking heeft plaatsgevonden.

De erfgenamen noemen de volgens hen onrechtmatige opnamen op 9 en 13 maart 2012 van telkens € 5.000,00, maar wat betreft de volgens hem eveneens onrechtmatige overboekingen van in totaal € 16.877,64 en de opname van in totaal € 22.513,41, hebben de erfgenamen niet meer gesteld dan dat deze in de drie jaar voorafgaand aan het overlijden van de vader hebben plaatsgevonden.

De rechter zal de erfgenamen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de vraag wanneer de eerste volgens hem onrechtmatige transactie door de erfgenaam is verricht.

Vervolgens zullen de erfgenamen moeten bewijzen dat de moeder vanaf dat moment tot aan haar overlijden op 10 september 2012 niet meer in staat was haar belangen behoorlijk waar te nemen.

Ten aanzien van de vader geldt dat erfgenamen onweersproken hebben gesteld dat de vader op enig moment in 2013 is opgenomen op de gesloten afdeling van het zorgcentrum, vanwege ernstige dementie.

De rechter gaat ervan uit dat de vader tot aan zijn overlijden aldaar heeft verbleven. Daarmee acht de rechter voorshands bewezen dat de vader vanaf die opname op de gesloten afdeling tot aan zijn overlijden niet meer compos mentis was.

De erfgenamen zullen daarom moeten bewijzen dat de vader vanaf het moment waarop de eerste onrechtmatige opname heeft plaatsgevonden tot aan zijn opname in het zorgcentrum niet meer compos mentis was.

Aangezien de erfgenamen niet hebben gesteld op welke datum de vader is opgenomen op de gesloten afdeling, zal de rechter hem in de gelegenheid stellen zich alsnog hierover uit te laten.

Nu de rechter voorshands bewezen acht dat de vader vanaf zijn opname op de gesloten afdeling niet meer compos mentis was, zal de erfgenaam in de gelegenheid worden gesteld tegenbewijs te leveren ter ontzenuwing van die voorshands bewezen geachte stelling.

Voor zover de erfgenamen ook wat betreft de vóór de peildatum onrechtmatig door erfgenaam opgenomen gelden een beroep op artikel 3:194 lid 2 BW heeft willen doen, slaagt dat beroep niet, nu deze gelden op de peildatum niet tot de nalatenschap behoorden.

Voor alle duidelijkheid en ter voorkoming van misverstanden hecht de rechter eraan het volgende op te merken.

Àls na bewijslevering vast zou komen te staan dat de erfgenaam een bedrag van € 49.391,05 dan wel enig ander bedrag aan de nalatenschap is verschuldigd, dan dient dat bedrag, zoals reeds hiervoor is overwogen, in het kader van de verdeling van de nalatenschap op zijn aandeel in de nalatenschap te worden toegerekend.

Dit houdt in dat hetgeen de erfgenaam aan de nalatenschap is verschuldigd voor zover dat het in het in het kader van de verdeling aan hem toekomende aandeel in de nalatenschap niet overstijgt, teniet gaat door vermenging met dat aan hem toekomende aandeel.

Gelet op hetgeen hiervoor is gebleken ten aanzien van de saldi van de tot de nalatenschap behorende bankrekeningen bij respectievelijk de Rabobank en de SNS Bank, komt aan ieder van de erfgenamen een bedrag van om en nabij € 400,00 toe.

Ten aanzien van de inboedel en de munten- en postzegelverzameling is immers overwogen dat onvoldoende is onderbouwd dat deze tot de nalatenschap behoren. Dat behoudens de twee banksaldi nog andere vermogensbestanddelen tot de nalatenschap behoren is niet gesteld of gebleken.

Dit betekent dat het zeer wel mogelijk is dat de mogelijke schuld van de erfgenaam aan de nalatenschap veel groter is dan zijn erfdeel van om en nabij de € 400,00.

Voor zover de schuld van de erfgenaam aan de nalatenschap zijn erfdeel te boven gaat, kan deze niet in de verdeling worden betrokken.

Hierop gelet ziet de rechter, vanwege de kosten die bewijslevering mogelijk met zich brengt, aanleiding de erfgenamen in de gelegenheid te stellen om zich uit te laten over de vraag of hij zijn standpunt wat betreft het volgens hem door de erfgenaam aan de nalatenschap verschuldigde bedrag van € 49.391,05 handhaaft.

Als dat het geval is dienen de erfgenamen zich tevens uit te laten over de vraag op welk moment de eerste volgens hem onrechtmatige transactie door de erfgenaam is verricht.

Daarnaast dienen zij zich uit te laten over de vraag op welk moment de vader is opgenomen op de gesloten afdeling van het zorgcentrum.

Daarna zal de rechtbank, in een volgend vonnis, de erfgenamen en de erfgenaam opdragen bewijs te leveren, een en ander zoals omschreven in bovenstaande rechtsoverwegingen. In afwachting hiervan zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de verdeling van een nalatenschap, over het kindsdeel of over de legitieme, over het onttrekken van gelden of goederen van de nalatenschap of het verbeurdverklaren van een aandeel in een nalatenschap vanwege verzwijging van dat aandeel in een erfenis, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.