Van onze advocaat kindsdeel. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over het opzettelijk tot de nalatenschap behorende goederen verzwijgen, zoek maken of verborgen houden. Aandeel in de nalatenschap verbeurd?

Artikel 3:194 lid 2 BW

In hoger beroep beroepen de erfgenamen zich op artikel 3:194 lid 2 BW.

In dit artikel is bepaald dat een deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoekt maakt of verborgen houdt, zijn aandeel verbeurt in die goederen aan de andere deelgenoten.

De erfgenamen stellen op grond van dit artikel recht te hebben op het gehele bedrag van € 197.794,53.

De rechter ziet aanleiding om het beroep op artikel 3:194 BW nu al, zonder de uitkomst van het deskundigenonderzoek af te wachten, te behandelen.

Opzettelijk tot de nalatenschap behorende goederen verzwijgen, zoek maken of verborgen houden. Aandeel in de erfenis verbeurd?

De rechter oordeelt als volgt.

De sanctie van artikel 3:194 lid 2 BW richt zich op de deelgenoot die handelt met het opzet om de overige deelgenoten verkeerd te informeren over de omvang van hun aandeel in de gemeenschap en hen op die manier te kort te doen.

De sanctie strekt zich niet uit tot de deelgenoot die zich vóór de verdeling van de (toekomstige) gemeenschap alvast in het bezit stelt van een goed uit die (toekomstige) gemeenschap als dat niet tot gevolg heeft dat die inbezitneming voor de anderen verborgen blijft.

De door de erfgename gedane opnames en overboekingen van de bankrekeningen van erflaatster zijn kenbaar uit de bankafschriften.

De erfgenamen hebben hun vorderingen hierop ook gebaseerd.

Daarnaast heeft de erfgename in de notariële akte van 28 april 2014 (‘Verklaring inzake nalatenschap) een groot deel van de opnames en overboekingen van de bankrekeningen van erflaatster ook genoemd (waarmee overigens nog niet is gezegd dat zij met deze verklaring ten overstaan van de notaris voldoende rekening en verantwoording hebben afgelegd ten aanzien van die opnames en overboekingen).

Ook als wordt aangenomen dat de erflaatster niet meer wilsbekwaam was en erfgename zich ervan bewust moet zijn geweest dat zij niet tot de opnames gerechtigd waren, rechtvaardigt dit nog niet de conclusie dat de erfgename heeft geprobeerd de erfgenamen als de overige deelgenoten in de (toekomstige) nalatenschap tekort te doen door voor hen verborgen te houden dat de door hen opgenomen en overgeboekte gelden tot de (toekomstige) nalatenschap van erflaatster behoorden.

Ten aanzien van het bedrag van € 120.000,00 waarvan tussen partijen vast staat dat de erfgename dit heeft gepind van de bankrekeningen van erflaatster en mee naar huis hebben genomen kan deze conclusie evenmin worden getrokken.

Wat er ook zij van de door erfgenamen gestelde diefstal van dat geld, niet kan worden gezegd dat zij voor de erfgenamen heeft verborgen gehouden of dat zij geld dat toebehoorde aan erflaatster in contanten mee naar huis hebben genomen.

Naar het oordeel van de rechter hebben de erfgenamen dan ook onvoldoende gesteld om hun beroep op artikel 3:194 lid 2 BW te laten slagen.

De vordering van de erfgenamen die gegrond is op artikel 3:194 lid 2 BW zal dus in ieder geval, ongeacht de uitkomst van het deskundigenonderzoek ten aanzien van de wilsbekwaamheid van erflaatster, worden afgewezen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de verdeling van een erfenis, over het kindsdeel of over de legitieme of over verwijzing van goederen in een nalatenschap en het verbeuren van het aandeel in een nalatenschap, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.