Van onze advocaat kindsdeel. De Rechtbank Gelderland heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over de nietigheid van een testament op grond van misleiding of bedrog.
Erflater (hierna ook: vader of erflater) en de echtgenote van erflater (hierna ook: moeder) zijn in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd geweest. Aan dat huwelijk is een einde gekomen door het overlijden van moeder.
Moeder had in haar testament een ouderlijke boedelverdeling gemaakt tussen vader en de kinderen op de voet van artikel 4:1167 van het Burgerlijk Wetboek (oud).
De aan de kinderen toekomende erfdelen zijn bij notariële akte vastgesteld en deze erfdelen zouden bij het overlijden van vader opeisbaar worden.
Onterving. Nietig testament? Bedrog of misleiding? Onttrokken gelden uit nalatenschap?
De rechter oordeelt als volgt.
Legitimarissen hebben aangevoerd dat zij rechtsgeldig de vernietiging van het testament hebben ingeroepen wegens bedrog, omdat er sprake is geweest van een onjuiste beweegreden.
Hun beroep op het bepaalde in artikel 3:45 BW wordt verworpen.
Hun stelling dat er sprake is geweest van bedrog hebben de legitimarissen gebaseerd op de stelling dat de erfgenamen vader hebben doen geloven dat zijn negatieve boedel niet in het belang was van legitimarissen en hem aldus hebben bewogen hen te onterven.
De erfgenamen hebben weersproken dat zij vader (al dan niet door hem te misleiden) hebben bewogen de legitimarissen te onterven.
Zij hebben aangevoerd dat bij het verlijden van de aktes met betrekking tot de geldleningen en de hypotheekaktes vader tegen de notaris heeft gezegd dat hij “geen pest meer met die andere twee te maken wilde hebben”. Hij was teleurgesteld in hen omdat zij ondanks vaders schenkingen van in totaal € 400.000,– weigerden hem geld te lenen voor de inkeerregeling.
De notaris heeft vader toen voorgehouden dat indien vader dergelijke gevoelens had, hij de twee kinderen (legitimarissen) zou kunnen onterven.
Vader heeft daarover nagedacht en vervolgens er zelf voor gekozen de twee kinderen te onterven.
Hij was zich terdege bewust van de gevolgen van de onterving. De notaris heeft bij de ondertekening van de akten met inachtneming van het “Stappenplan beoordeling wilsbekwaamheid ten behoeve van notariële dienstverlening” zich ervan vergewist dat vader in staat was de akten te ondertekenen en daarvan de gevolgen te overzien, aldus de erfgenamen.
Toen heeft de notaris volgens dat proces-verbaal verklaard dat hij gezien de reële kans op een negatieve nalatenschap heeft geopperd klagers uit te sluiten als erfgenaam. Nadat hij door een van de dochters was gebeld dat hun vader inderdaad zijn testament wilde wijzigen is hij met vader alleen daarop doorgegaan. Bij het ondertekenen van het testament had hij getuigen meegenomen omdat hij overtuigend bewijs wilde dat vader in staat was om op dat moment het testament te tekenen. Hun vader heeft toen nog eens duidelijk aangegeven dat hij klagers wilde uitsluiten omdat zijn andere kinderen hem hadden geholpen en klagers niet, aldus de notaris.
Deze verklaring onderschrijft het verweer van de erfgenamen dat het de notaris was die geopperd heeft legitimarissen te onterven. Dat de notaris op 31 januari 2013 ook heeft verklaard dat de ontstaansreden van de onterving in de constructie van de geldlening met hypotheekstelling zat en niet in slechte onderlinge verhoudingen, leidt niet tot een ander oordeel. Dit oordeel vindt ook steun in de door legitimarissen in het geding gebrachte pleitaantekeningen. In die pleitaantekeningen staat dat het de uitdrukkelijke wens van erflater was twee van zijn kinderen te bevoordelen boven legitimarissen, althans dat hij zich er terdege rekenschap van heeft gegeven dat dit de consequentie zou zijn.
Tegenover deze met stukken onderbouwde betwisting hebben legitimarissen op geen enkele wijze hun stelling onderbouwd dat erfgenamen door al dan niet onjuiste mededelingen vader ertoe hebben bewogen legitimarissen te onterven. Van bedrog is derhalve geen sprake geweest, zodat er ook geen sprake kan zijn van een rechtsgeldige vernietiging van het testament van vader wegens bedrog.
Voor wat betreft het beroep van de legitimarissen op onjuiste beweegredenen gaat de rechtbank ervan uit dat de verwijzing naar het tweede lid van artikel 4:44 BW op een vergissing berust en dat bedoeld is het tweede lid van artikel 4:43 BW. Legitimarissen hebben immers niet gesteld dat de inhoud van het testament van vader in strijd is met de openbare orde of de goede zeden en dat is ook niet gebleken.
Het tweede lid van artikel 4:43 BW bepaalt dat een uiterste wilsbeschikking, gemaakt onder invloed van een onjuiste beweegreden, slechts dan vernietigbaar is wanneer de door de erflater ten onrechte veronderstelde omstandigheid die zijn beweegreden tot de beschikking is geweest, in de uiterste wil zelf is aangeduid en de erflater de beschikking niet zou hebben gemaakt, indien hij van de onjuistheid dier veronderstelling had kennis gedragen.
Aan de voorwaarde voor vernietiging van het testament, namelijk dat de onjuiste omstandigheid die vaders beweegreden is geweest in het testament zelf moet zijn aangeduid, is niet voldaan. In het testament van vader is immers in het geheel geen beweegreden opgenomen.
Dat, zoals opgemerkt in het handboek Erfrecht, in tegenstelling tot het oude erfrecht in het nieuwe erfrecht het beslissende karakter van die beweegreden niet in het testament behoeft te worden uitgedrukt, leidt niet tot een ander oordeel.
Van vernietiging van het testament op de voet van artikel 4:43 BW is daarom geen sprake.
Legitimarissen hebben hun overige vordering gegrond op het bepaalde in artikel 4:184 lid 2 BW. Zij hebben als onderbouwing aangevoerd dat de erfgenamen actief hebben verhinderd dat de schulden van legitimarissen konden worden voldaan en dat erfgenamen voorts verweten kan worden dat zij opzettelijk goederen aan het verhaal door schuldeisers hebben onttrokken.
De erfgenamen hebben aangevoerd dat het bepaalde in artikel 4:184 BW ziet op de situatie na het overlijden van vader. Zij betwisten dat zij hebben verhinderd dat de schulden van legitimarissen werden voldaan. Erfgenamen hebben als vereffenaar van rechtswege de schulden voldaan conform de rangregeling van artikel 4:7 lid 2 BW. Na voldoening van de hypothecaire schuldeisers was er onvoldoende saldo aanwezig om de overige schuldeisers te betalen, aldus de advocaat van de erfgenamen.
Na deze gemotiveerde betwisting zijn legitimarissen niet meer op hun stellingen ten aanzien van artikel 4:184 BW terug gekomen, zodat deze vordering als na betwisting onvoldoende nader onderbouwd niet voor toewijzing vatbaar is.
Legitimarissen hebben voorts gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat de erfgenamen geen recht hebben op de nalatenschap van vader omdat zij activa van de nalatenschap hebben doen verdwijnen als bedoeld in artikel 3:194 lid 2 BW althans dat erfgenamen zijn overbedeeld op de voet van artikel 3:195 lid 2 BW.
De erfgenamen hebben betwist dat zij na het overlijden van vader goederen aan zijn nalatenschap hebben onttrokken.
Voorts hebben zij aangevoerd dat deze artikelen betrekking hebben op een gemeenschap en dat legitimarissen geen deelgenoot zijn in een gemeenschap met de erfgenamen, omdat zij geen erfgenaam zijn. Na deze betwisting zijn legitimarissen niet op hun in het geheel niet onderbouwde stelling terug gekomen. De gevraagde verklaringen van recht zullen daarom niet worden gegeven.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag over de verdeling van een erfenis, over het kindsdeel of over de legitieme, over een onterving of over de nietigheid van een testament, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.