Van onze advocaat kindsdeel. De Rechtbank Midden-Nederland heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over de informatieplicht van de langstlevende echtgenoot jegens de (stief)kinderen na een ouderlijke boedelverdeling. Artikel 4:1167 BW (oud). Analoge toepassing van artikel 4:16 lid 4 BW voor de wettelijke verdeling.

In 2002 is overleden de erflater. Eisers zijn de kinderen van erflater uit zijn eerste huwelijk. Erflater was ten tijde van zijn overlijden (in tweede echt) en in gemeenschap van goederen gehuwd met gedaagde.

Erflater heeft bij testament van 23 juli 1999 over zijn nalatenschap beschikt. In dit testament heeft erflater zijn echtgenote en zijn kinderen gezamenlijk en voor gelijke delen tot erfgenamen benoemd en met toepassing van de ouderlijke boedelverdeling (art. 4:1167 BW (oud)) alle goederen van zijn nalatenschap toegedeeld aan de langstlevende echtgenoot onder de verplichting om alle schulden van de nalatenschap voor haar rekening te nemen, waarbij aan de erfgenamen zijn toegedeeld (niet-opeisbare) vorderingen wegens overbedeling ten laste van de langstlevende echtgenoot. Verder is de langstlevende echtgenoot in dit testament tot executeur benoemd.

Tussen partijen is in geschil welke informatieverplichtingen, in het kader van deze vaststelling van huwelijksgoederengemeenschap, nalatenschap en de uit de ouderlijke boedelverdeling voortvloeiende vorderingen, op de langstlevende rusten jegens de kinderen als erfgenamen.

Het testament uit 1999 van de in 2011 overleden erflater omvat zoals gezegd een ouderlijke boedelverdeling in de zin van artikel 4:1167 BW (oud). Op grond hiervan zijn alle goederen van de nalatenschap toegedeeld aan de langstlevende onder de verplichting om alle schulden van de nalatenschap voor haar rekening te nemen, waarbij aan de kinderen als erfgenamen zijn toegedeeld (niet-opeisbare) vorderingen wegens overbedeling ten laste van de langstlevende.

Sinds 1 januari 2003 kent de wet de ouderlijke boedelverdeling niet langer (artikel 4:42 lid 1 BW).

Dit neemt niet weg dat een onder oud recht (vóór 1 januari 2003) gemaakt testament met een ouderlijke boedelverdeling zijn gelding blijft behouden, ook in het geval de erflater na inwerkingtreding van het nieuwe erfrecht is overleden. Uit artikel 79 Overgangswet Nieuw BW volgt dat een onder oud recht verrichte rechtshandeling niet nietig of vernietigbaar wordt na inwerkingtreding van de nieuwe wet.

Informatieplicht van langstlevende echtgenoot jegens (stief)kinderen na ouderlijke boedelverdeling. Analoge toepassing van art. 4:16 lid 4 BW voor de wettelijke verdeling.

De rechter oordeelt als volgt.

De rechter is van oordeel dat uit de ouderlijke boedelverdeling in het testament van erflater voortvloeit dat de kinderen en de langstlevende als erfgenamen jegens elkaar gehouden zijn tot het opmaken van een boedelbeschrijving ten tijde van het overlijden van erflater van zowel de huwelijksgoederengemeenschap (waarin erflater en gedaagde waren gehuwd) als de daarvan deel uitmakende nalatenschap, zodat aan de hand daarvan de omvang van de vorderingen van de erfgenamen jegens de langstlevende kunnen worden vastgesteld.

De regeling van artikel 4:16 lid 4 BW – geschreven voor de sinds 1 januari 2003 geldende wettelijke verdeling – kan geacht worden analoog van toepassing te zijn in geval van een ouderlijke boedelverdeling: de echtgenoot en de kinderen hebben jegens elkaar recht op inzage in en afschrift van alle bescheiden en andere gegevensdragers, die zij voor vaststelling van hun aanspraken behoeven.

De daartoe strekkende inlichtingen dienen des verzocht aan elkaar te worden verstrekt. Zij zijn tevens jegens elkaar gehouden tot medewerking aan het verstrekken van inlichtingen door derden (vgl. Rechtbank Amsterdam 24 juni 2009, RBAMS: BL6729).

Dit kader geeft anderzijds ook de begrenzing van het recht op inlichtingen: het recht op informatie jegens elkaar strekt niet verder dan het opstellen van de hiervoor genoemde boedelbeschrijving van huwelijksgoederengemeenschap en nalatenschap en vaststelling van de na de ouderlijke boedelverdeling resterende vordering van de erfgenamen jegens de langstlevende echtgenoot.

De langstlevende echtgenoot zal worden veroordeeld om – binnen vier weken na betekening van dit vonnis (in plaats van na wijzen van vonnis) over te gaan tot afgifte aan de erfgenamen van een kopie van de (gezamenlijke) belastingaangifte 2011 van erflater en langstlevende. De reden hiervoor is dat eerst dwangsommen kunnen worden verbeurd na betekening van het vonnis (zie artikel 611a lid 3 Rv). De rechter ziet aanleiding om ambtshalve een maximum van € 10.000,- aan de te verbeuren dwangsommen te verbinden.

De vorderingen van de erfgenamen tot afgifte van de andere bescheiden zal worden afgewezen, bij gebreke van een rechtsgrond daarvoor, dan wel onvoldoende onderbouwing voor hun stelling dat de langstlevende een onjuiste opgave heeft gedaan van de goederen behorende tot de huwelijksgoederengemeenschap, dan wel nalatenschap van erflater.

 Uitvoerbaarheid bij voorraad

De langstlevende echtgenoot stelt zich verder op het standpunt dat uitvoerbaarheid bij voorraad dient te worden onthouden aan een veroordelend vonnis. Volgens de langstlevende zal zij zeker hoger beroep instellen tegen een toewijzend vonnis. Na afgifte van de stukken zal hoger beroep zinloos zijn omdat de gegevens dan al afgegeven zijn.

Artikel 233 lid 1 Rv bepaalt dat de rechter het vonnis des gevorderd uitvoerbaar bij voorraad kan verklaren, tenzij uit de wet of uit de aard van de zaak anders voortvloeit.

Bij de toepassing van dit artikel geldt als maatstaf dat de belangen van partijen moeten worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval, waarbij moet worden nagegaan of op grond van die omstandigheden, bijvoorbeeld in verband met de spoedeisendheid van het voldoen aan de veroordeling, het belang van degene die de veroordeling verkreeg, zwaarder weegt dan dat van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist. De kans van slagen van een eventueel aan te wenden rechtsmiddel dient daarbij in de regel buiten beschouwing te blijven (Hoge Raad, 29 november 1996, NJ 1997, 684).

Verder geldt daarbij dat mogelijk ingrijpende gevolgen van de executie, die moeilijk ongedaan gemaakt kunnen worden, op zichzelf niet in de weg staan aan uitvoerbaarverklaring bij voorraad maar daarbij meegewogen dienen te worden (Hoge Raad, 28 mei 1993, NJ 1993, 468).

De rechter is van oordeel dat het belang van de erfgenamen (bij het nu verkrijgen van hun recht op afschrift en inzage in de aangifte IB 2011) zwaarder weegt dan het belang van langstlevende bij behoud van de bestaande toestand totdat in hoger beroep is beslist.

Hierbij is van belang dat partijen in feite al vanaf kort na het overlijden van erflater– inmiddels dus al ruim vijf jaar – een geschil hebben over de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap, de nalatenschap en de onderbedelingsvorderingen. Gelet op de duur van het geschil kan niet van de erfgenamen verlangd worden voorafgaand aan de uitoefening van hun rechten ook de uitkomst van een eventuele appelprocedure nog eens af te wachten. Daarnaast geldt dat de (uitvoerbaar bij voorraad te verklaren) veroordeling slechts betrekking heeft op een zeer beperkt deel van het door erfgenamen gevorderde. De onomkeerbaarheid van de gevolgen van een uitvoerbaar bij voorraadverklaring heeft enkel betrekking op de aangifte IB 2011.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de verdeling van een erfenis, over het kindsdeel of over de legitieme, over de ouderlijke boedelverdeling of over informatieverstrekking over het vermogen en omvang van de nalatenschap, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.