Van onze advocaat kindsdeel. De advocaat-generaal bij het parket bij de Hoge Raad heeft enige tijd geleden de vordering tot verdeling van een nalatenschap door de rechter besproken en toegelicht.
Een partij die zich in een onverdeeldheid bevindt, kan volgens artikel 3:178 lid 1 BW te allen tijde verdeling vorderen.
De verdeling van een nalatenschap door de rechter.
Die vordering kan in grote lijnen twee gedaanten aannemen.
In de eerste plaats kan de deelgenoot veroordeling van de andere deelgenoten vorderen om aan de verdeling mee te werken (artikel 3:178 lid 1 BW).
In de tweede plaats kan de deelgenoot vorderen dat de rechter de wijze van verdeling zal gelasten of de verdeling zelf zal vaststellen (artikel 3:185 lid 1 BW).
Toewijzing van een vordering in eerstbedoelde zin leidt niet steeds tot een finale beslechting van het geschil, omdat in het vervolgtraject kan blijken dat partijen het over de inhoud van de verdeling niet eens kunnen worden. In dat geval is alsnog een vordering in de laatstbedoelde zin nodig.
Indien een procedure is aangevangen met een vordering tot medewerking aan de verdeling, kan tijdens het geding aan de rechter of aan partijen blijken dat complicaties in het vervolgtraject waarschijnlijk, althans mogelijk zijn, en dat het daarom beter is dat de rechter de wijze van verdeling gelast of de verdeling zelf vaststelt.
De wetgever heeft dit onder ogen gezien en is om die reden in artikel 677 en 678 Rv afgeweken van wat in andere gevallen geldt.
Volgens artikel 677 lid 1 Rv kan de rechter in bedoeld geval de vaststelling van de verdeling aan zichzelf houden, dus zonder dat dit is gevorderd.
De rechter die heeft te beslissen op een vordering tot medewerking aan een verdeling kan dus in afwijking van artikel 23 Rv iets anders toewijzen dan gevorderd; hij kan namelijk de wijze van verdeling gelasten of de verdeling zelf vaststellen.
Of de rechter dit wel of niet doet, is aan zijn beleid overgelaten; hij mag zich ook beperken tot een beslissing op de vordering.
Uiteraard kunnen partijen ook zelf bedenken dat het wenselijk is dat de rechter het geschil finaal zal beslechten.
Eiser kan daaraan reeds volgens de gewone regels gevolg geven door zijn eis te wijzigen en dus zijn vordering tot medewerking aan een verdeling te vervangen door een vordering tot het gelasten van de wijze van verdeling dan wel tot vaststelling van de verdeling. Uiteraard is de rechter in dat geval niet vrij meer om de oorspronkelijke eis nog toe te wijzen; hij dient over de gewijzigde eis te beslissen.
Artikel 678 lid 2 Rv houdt in aanvulling hierop in dat zolang geen volledige overeenstemming is bereikt, de meest gerede partij kan vorderen dat de rechter de wijze van verdeling gelast of zelf de verdeling vaststelt.
Dit betekent dus dat ook gedaagde kan vorderen dat artikel 3:185 lid 1 BW toepassing zal vinden (ook indien het volgens de gewone regels voor een eis in reconventie te laat is), alsook dat een dergelijke vordering zowel door eiser als gedaagde ook nog in een laat stadium in de procedure kan worden ingesteld.
Aldus hebben zowel eiser als gedaagde het in hun macht om de vrijheid van de rechter in te perken en deze te dwingen het geschil finaal te beslechten.
De door eiser ingestelde vordering strekte tot medewerking aan een verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap.
Weliswaar heeft eiser ook vaststelling van de verdeling gevorderd, maar hij heeft aan die vordering een subsidiair karakter gegeven.
Uitgaande van de gewone regels dienden rechtbank en hof als eerste te onderzoeken of de primaire vordering van eiser toewijsbaar was en kwamen zij bij bevestigende beantwoording van die vraag aan de subsidiaire vorderingen van eiser niet meer toe.
Uit wat hiervoor is gezegd, volgt dat rechtbank en hof op grond van artikel 677 lid 1 Rv in afwijking van de gewone regels de primaire vordering van eiser ook mochten laten voor wat zij was en in plaats daarvan de wijze van verdeling konden gelasten dan wel de verdeling zelf vaststellen.
De rechtbank heeft dit laatste ook gedaan. Naar valt aan te nemen, heeft het hof het voornemen gehad om dit ook te doen, maar bij gelegenheid van het eindarrest heeft het hof daarvan alsnog afgezien.
Dat stond aan het hof vrij, omdat eiser niet een op toepassing van artikel 3:185 lid 1 BW gerichte vordering had ingesteld.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag over de vereffening of verdeling van een nalatenschap, over het kindsdeel of over de legitieme of over de verdeling van een nalatenschap door de rechter, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.