Van onze advocaat kindsdeel. Het Gerechtshof Den Haag heeft op 26 juni 2018 uitspraak gedaan over de privatieve bevoegdheid van de vereffenaar. De vereffenaar vertegenwoordigt de erfgenamen in en buiten rechte. De vereffenaar vervangt de erfgenamen (artikel 4:203 BW).

Vader c.s. hebben in hun memorie van antwoord gesteld dat de schuldeiser niet ontvankelijk dient te worden verklaard met betrekking tot de erfgenamen aangezien de erfgenamen in deze vertegenwoordigd worden door de vereffenaar.

Herroeping van een vonnis? De vereffenaar vertegenwoordigt de erfgenamen in en buiten rechte

De rechter oordeelt als volgt.

Op grond van het tweede lid van artikel 4:203 BW treedt de vereffenaar in en buiten rechte op voor de erfgenamen. Er is sprake van een privatieve vertegenwoordigingsbevoegdheid.

In de pleitnota van 22 maart 2018 is schuldeiser ingegaan op de ontvankelijkheidsvraag. Het hof verwijst naar randnummer 2 en 3.

Uit de gewisselde stukken volgt dat de mr. P bij beschikking van de rechtbank Middelburg tot vereffenaar is benoemd in de nalatenschap van wijlen vader.

Op grond van art 4:203 BW vervangt de vereffenaar de erfgenamen.

De vereffenaar vertegenwoordigt de erfgenamen in en buiten rechte bij de vervulling van zijn taak. Er is sprake van een privatieve bevoegdheid van de vereffenaar.

In het onderhavige geval is de vereffenaar geen erfgenaam.

Gezien het hof hiervoor heeft overwogen dient appellant met betrekking tot de geïntimeerden 1 a tot en met 1 h niet ontvankelijk te worden verklaard.

Ingevolge art. 382 Rv kan een rechterlijke beslissing die in kracht van gewijsde is gegaan worden herroepen indien zij berust op bedrog, op stukken waarvan de valsheid na de beslissing is erkend of vastgesteld, of indien na de datum van de beslissing stukken van beslissende aard naar voren zijn gekomen die door toedoen van de andere partij waren achtergehouden.

Ingevolge art. 383 Rv moet het rechtsmiddel worden aangewend binnen drie maanden nadat de grond voor de herroeping is ontstaan.

De schuldeiser stelt, zakelijk weergegeven, het volgende.

Schuldeiser heeft kennis gekregen van omstandigheden die wijzen op bedrog door de erflater in de procedure die heeft geleid tot het bestreden arrest.

Kern van de zaak is de ontkenning van de erflater van de plaatsing van diens handtekening onder de overeenkomst met de schuldeiser van 22 april 2004.

Schuldeiser verwijt de erven het rapport van een aanvullend schriftonderzoek uitgevoerd door de heer K buiten de gedingstukken gehouden te hebben, zodat het niet besproken is op de mondelinge behandeling op 23 april 2011 en daar geen rekening mee is gehouden in het tussenarrest van het hof van 19 juni 2012.

Schuldeiser kwalificeert dit rapport, naar het hof begrijpt, als van beslissende aard.

Het hof heeft uiteindelijk een deskundige benoemd in de persoon van R en heeft vader c.s. de gelegenheid geboden om referentiemateriaal aan te leveren ter toetsing en beoordeling door de heer R, maar aan de schuldeiser heeft het die mogelijkheid onthouden.

Schuldeiser heeft inmiddels aanvullend schriftonderzoek laten doen door de heer R en ook door de heer S, naar het hof begrijpt mede op basis van door de schuldeiser geboden referentiemateriaal.

Uit beide rapporten van deze deskundigen, van 31 juli 2016 resp. van 8 juli 2016 blijkt nu alsnog, dat de litigieuze handtekening met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is geplaatst door de erflater.

Schuldeiser wijst voorts op een verzoekschrift van de erflater uit juli 2006, waarvan hij in september 2016 een kopie in bezit kreeg.

In dat verzoekschrift leest de schuldeiser een erkenning door de erflater van zijn handtekening op de overeenkomst van 22 april 2004. Hij stelt dat vader c.s. dit verzoekschrift nadrukkelijk en in strijd met art. 21 Rv gelezen in verband met art. 382 Rv, hebben achtergehouden. Als het hof kennis had gehad van deze erkenning dan zou het, zo stelt schuldeiser, anders hebben geoordeeld dan het in zijn eindarrest heeft gedaan.

Vader c.s. hebben verweer gevoerd. Ten eerste hebben zij gesteld dat de erven ten onrechte in de procedure zijn betrokken, nu geïntimeerde sub 2 als vereffenaar een privatieve volmacht heeft. Zij vorderen daarom de schuldeiser niet-ontvankelijk te verklaren jegens de erven.

Materieel vorderen vader c.s. afwijzing van de vorderingen.

Zij stellen, kort en zakelijk weergegeven, dat het hof terecht het rapport d.d. 19 april 2012, overgelegd op 20 april 2012, onbesproken heeft gelaten bij de mondelinge behandeling van 23 april 2012 wegens strijd met een goede procesorde, omdat vader c.s. op dat moment niet meer in staat waren om er inhoudelijk op in te gaan.

Bovendien heeft de schuldeiser het rapport bij akte van 13 november 2012 alsnog in het geding gebracht, en heeft het hof het rapport meegewogen o.a. bij de totstandkoming van het eindarrest van 22 juli 2014.

Ten aanzien van referentiemateriaal ten behoeve van het deskundigenonderzoek stellen vader c.s. dat het hof in zijn eindarrest daarover heeft beslist, dat het cassatieberoep van schuldeiser is afgewezen, en dat de uitkomst van het schriftuuronderzoek daarmee vaststaat.

Tenslotte wijzen vader c.s. erop dat de schuldeiser het beroepschrift van juli 2006 al op 24 april 2012 aan het hof had overgelegd en dat daarin geen erkenning valt te lezen.

Het hof passeert de stelling dat vader c.s. een verwijt kan worden gemaakt van het feit dat het rapport van de heer R buiten de procedure is gehouden bij de mondelinge behandeling door het hof op 23 april 2012.

Wat er ook zij van die stelling, wanneer het hof een ingediende productie zoals het bewuste rapport ten onrechte niet of niet tijdig heeft meegewogen, terwijl de inhoud ervan van beslissende aard is, dan leidt dat mogelijk tot een motiveringsgebrek in het betreffende arrest waartegen een gewoon rechtsmiddel openstond.

Nu dat gewone rechtsmiddel niet is aangewend kan de schuldeiser niet worden ontvangen in zijn herroepingsvordering.

Ook passeert het hof de stelling dat de schuldeiser de mogelijkheid is ontnomen om authentiek referentiemateriaal aan te leveren voor het onderzoek van de door het hof benoemde deskundige.

In het eindarrest overweegt het hof dat de schuldeiser zijnerzijds authentiek referentiemateriaal had aangeleverd en oordeelt daarbij over de vraag of de benoemde deskundige dit materiaal bij zijn onderzoek heeft of had moeten betrekken. Tegen dat oordeel stond op de voet als hiervoor overwogen eveneens een gewoon rechtsmiddel open.

Het hof passeert tenslotte de stelling dat het bestreden eindarrest voor herroeping vatbaar is in verband met de erkenning door de erflater van zijn handtekening op de overeenkomst van 22 april 2004, in het beroepschrift van juli 2006.

Het beroepschrift maakte immers al deel uit van de gedingstukken die tot het eindarrest van het hof hebben geleid, te weten zijn eigen akte van 24 april 2012.

Daaruit volgt, formeel bezien, dat niet is voldaan aan het vereiste van art. 383 lid 1 Rv, te weten dat het herroepingsverzoek binnen drie maanden nadat de grond voor herroeping is ontstaan en de eiser daarmee bekend is geworden.

Zijdens de schuldeiser is ter zitting aangegeven dat oprecht noch hij noch zijn raadsman zich wist te herinneren dat het document al eens onderdeel had uitgemaakt van een bundel van stukken als bijlage bij voormelde akte. Wat daar ook van zij, dat laat onverlet dat bekendheid met de door of namens de schuldeiser zelf in het geding gebrachte documenten hem – en zijn raadsman – moet worden toegerekend.

Het hof zal de vordering de schuldeiser derhalve afwijzen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over de legitieme of over het kindsdeel, over de taken en bevoegdheden van een vereffenaar of van een executeur in een nalatenschap of over de herroeping van een vonnis, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.