De Rechtbank Rotterdam heeft op 8 augustus 2019 uitspraak gedaan over een verzoek tot machtiging tot vaststelling van het wettelijk erfdeel van minderjarige erfgenamen.
Op grond van het bepaalde in artikel 4:13 Burgerlijk Wetboek zijn alle goederen van de nalatenschap van rechtswege door erflaatsters partner verkregen en komt de voldoening van de schulden der nalatenschap geheel voor zijn rekening.
Ieder van de kinderen van de erflaatster verkrijgt als erfgenaam van rechtswege een geldvordering ten laste van hun vader, zulks ter grootte van de waarde van het erfdeel.
Verzoek machtiging tot vaststelling van het wettelijk erfdeel. Minderjarige erfgenamen. Wilsrechten. Vruchtgebruik op een geldvordering?
De rechter oordeelt als volgt.
Het verzoek op grond van artikel 1:345 BW.
De kinderen van verzoeker hebben als erfgenaam van hun moeder van rechtswege een geldvordering op hun vader (verzoeker), overeenkomend met de waarde van hun erfdeel (artikel 4:13 lid 3 BW).
Verzoeker wil de vordering van zijn kinderen vaststellen op een bedrag van € 23.832,74 per kind.
Verzoeker heeft hiervoor op grond van artikel 1:345 lid 1 aanhef en onder a BW machtiging van de kantonrechter nodig.
Uit de overgelegde stukken en uit de door verzoeker op de mondelinge behandeling van de zaak gegeven toelichting is het de kantonrechter voldoende duidelijk hoe verzoeker tot het genoemde bedrag is gekomen.
De kantonrechter verleent daarom de gevraagde machtiging.
Het wilsrecht van artikel 4:19 BW
Verzoeker is een nieuw geregistreerd partnerschap aangegaan.
Zijn kinderen hebben op grond van artikel 4:19 BW daarom het recht van verzoeker goederen overgedragen te krijgen met een waarde van ten hoogste de geldvordering die zij op hun vader hebben, in beginsel onder voorbehoud van het vruchtgebruik van die goederen.
Omdat de kinderen van verzoeker nog minderjarig zijn, is het op grond van artikel 4:26 lid 1 BW aan verzoeker om de kantonrechter zijn voornemen over de uitoefening van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 4:19 BW mee te delen.
De kantonrechter kan dat voornemen goedkeuren, zo nodig onder voorwaarden, of afwijzen.
De kantonrechter kan zo nodig ook een eigen beslissing nemen.
Verzoeker verzoekt de kantonrechter goedkeuring te verlenen aan zijn voornemen het bedrag waar ieder van zijn kinderen recht op heeft (€ 23.832,74), op een aparte bankrekening te storten, op naam van het betreffende kind, belast met een vruchtgebruik van de bedragen voor verzoeker zelf.
Het vruchtgebruik is, zo verklaarde verzoeker tijdens de mondelinge behandeling van de zaak, bedoeld ter bescherming van zijn kinderen.
Hij wil voorkomen dat de kinderen de beschikking krijgen over het geld op een moment dat zij nog niet in staat zijn daar verstandig mee om te gaan.
Een vruchtgebruik op geld past niet in het systeem van de artikelen 4:19 e.v. BW nu daar enkel wordt gesproken over goederen en geld daar als zodanig niet onder valt.
Indien een goed wordt overgedragen in eigendom aan een kind waarbij de overdrager eigenaar blijft, heeft het kind feitelijk ook niet de beschikking over het goed en is het kind bloot eigenaar daarvan.
Hetgeen verzoeker voorstelt past wel binnen de bedoeling van de wetgever en daarom zal de kantonrechter op grond van artikel 4:26 lid 1 BW laatste volzin een eigen beslissing nemen zoals weergegeven onder de beslissing.
De kantonrechter machtigt verzoeker om de vordering van zijn kinderen op grond van artikel 4:13 lid 3 BW vast te stellen op een bedrag van € 23.832,74 per kind.
De kantonrechter bepaalt dat verzoeker voor ieder kind een bankrekening opent ten name van dat kind en daarop een bedrag stort per kind van € 23.832,74, waardoor ieder kind eigenaar geworden is van het betreffende geldbedrag.
De kantonrechter bepaalt dat verzoeker zowel voor zich als wettelijk vertegenwoordiger van de kinderen niet over dat geld kan beschikken, behoudens voor zover hij het vruchtgebruik daarvan heeft, en dat hij op geen enkele wijze dat geld op andere wijze mag gebruiken.
De kantonrechter bepaalt dat verzoeker het vruchtgebruik heeft van die bedragen, daaruit bestaande dat eventuele renteopbrengsten aan hem toekomen.
De kantonrechter bepaalt dat na meerderjarigheid van ieder kind het kind, als gevolg van het daarop rustende vruchtgebruik, niet vrijelijk kan beschikken over het geld doch dat enkel door de vruchtgebruiker het geld aan het betreffende kind ter beschikking zal worden gesteld, waarbij in ieder geval bij het bereiken van de 28-jarige leeftijd het kind de volle eigendom verwerft van het geld en het vruchtgebruik dan eindigt.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, over wilsrechten, of over vruchtgebruik in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.
Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.