Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 7 april 2020 uitspraak gedaan over de vraag of de vordering van de erfgenamen tot verdeling van de maatschap van hun ouders al dan niet was verjaard.

Appellanten hebben in de grieven samengevat aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte hun vorderingen heeft gekwalificeerd als vorderingen tot nakoming van de verbintenis uit de maatschapsovereenkomst.

Zij hebben zich niet beroepen op artikel 5 lid 4 van de maatschapsovereenkomst, maar op artikel 7A:1688 lid 2 BW.

Zij zijn nooit toegetreden tot de maatschap en oefenen geen rechten uit als deelgenoten in de maatschap, maar verlangen uitkering van de waarde van de participaties die hun ouders hadden in de maatschap.

Daarom geldt volgens hen in dit geval de algemene verjaringstermijn van artikel 3:306 BW van twintig jaren en niet de kortere termijn van vijf jaren als bedoeld in artikel 3:307 BW.

Erfrecht. Zijn de vordering van de erfgenamen tot verdeling van de maatschap van hun ouders verjaard? Verjaringstermijn. Stuiting van de verjaring?

De rechter oordeelt als volgt.

Het hof stelt vast dat een maatschap is gebaseerd op een maatschapsovereenkomst, waarin de rechten en verplichtingen van de vennoten en, voor zover van belang, hun erfgenamen zijn opgenomen.

Voor het geval de vennoten daarover in de maatschapsovereenkomst niets hebben geregeld geven de artikelen 7A:1683 BW en volgende regels voor de beëindiging daarvan.

Zo wordt op grond van artikel 7A:1683 BW een maatschap onder meer ontbonden door de dood van één van de vennoten.

In artikel 7A:1688 lid 2 BW is bepaald dat in het geval is bedongen dat bij overlijden van één van de vennoten de maatschap tussen de overblijvende vennoten wordt voortgezet, de erfgenaam van de overleden vennoot recht heeft op verdeling van de maatschap.

Deze bepalingen zijn van regelend recht.

In artikel 5 leden 3 en 4 van de maatschapsovereenkomsten is een van artikel 7A:1688 lid 2 BW afwijkende regeling opgenomen.

Voor de beoordeling van dit geschil is daarom de regeling neergelegd in artikel 5 leden 3 en 4 van de maatschapsovereenkomsten leidend.

Het is niet ter keuze van appellanten om zich op de wettelijke regeling, dan wel de regeling in de maatschapsovereenkomsten te beroepen.

De rechtbank is anders dan appellanten hebben gesteld, niet buiten het bepaalde in artikel 24 Rv getreden en van ambtshalve toepassing van verjaring is evenmin sprake.

Maar zelfs al zouden de appellanten die keuze wel hebben gehad dan zou een keuze voor artikel 7A:1688 lid 2 BW hen niet hebben geholpen.

Artikel 7A:1688 lid 2 BW kan niet los van een maatschapsovereenkomst worden gezien.

Zonder het bestaan van een maatschapsovereenkomst heeft deze bepaling geen enkele betekenis.

Met hun beroep op artikel 7A:1688 lid 2 BW vorderen de appellanten niets anders dan nakoming door de andere vennoten van de verschillende maatschappen van hun verplichting tot verdeling.

Deze bepaling strekt daarom tot uitvoering van een verplichting gebaseerd op een maatschapsovereenkomst.

Om die reden is ook op vorderingen gebaseerd op artikel 7A:1688 lid 2 BW de verjaringstermijn van artikel 3:307 BW van toepassing.

De verjaringstermijn vangt aan op de dag van overlijden van moeder van appellante, te weten 18 maart 2010, omdat op grond van artikel 5 lid 4 van de maatschapsovereenkomsten vanaf dat tijdstip de vordering tot uitkering van de waarde van de participaties opeisbaar is.

Daarbij is, anders dan appellanten hebben gesteld, ingevolge art 3:307 BW voor de aanvang van de verjaringstermijn van belang of de vorderingen opeisbaar waren en niet of ze ook werkelijk zijn opgeëist door bijvoorbeeld het versturen van aanmaningen.

Aangezien sinds 18 maart 2010 meer dan 5 jaren waren verstreken voordat de advocaat van appellanten op 24 maart 2016 van M betaling heeft gevorderd van de waarde van de participaties, moet worden geoordeeld dat de vordering op dat moment was verjaard, tenzij de brief van de notaris van 25 juli 2014 moet worden aangemerkt als een stuitingshandeling.

De vraag of de brief van de notaris van 25 juli 2014 de verjaring van de vordering van de appellanten heeft gestuit moet echter ontkennend worden beantwoord.

Daargelaten of appellanten hun moeder nu wel of niet formeel als vennoot in de maatschappen hebben opgevolgd, moet op grond van de feiten worden vastgesteld dat zij zich wel als vennoot hebben gedragen.

Allereerst hebben zij niet gereageerd op de brief van de Noord Nederlandse Trustmaatschappij van 3 mei 2010 waarin hun naar aanleiding van de brief van LTO Noord van 21 april 2010 is medegedeeld dat de participaties op hun naam zijn geadministreerd.

Verder hebben ze rendementsuitkeringen op de participaties in ontvangst genomen, deelgenomen aan een aantal jaarvergaderingen van M en gereageerd op een tweetal capital calls en naar aanleiding daarvan ook één keer kapitaal bijgestort.

Tegen die achtergrond kan de brief van de notaris 25 juli 2014 waarin M wordt gevraagd om met een voorstel tot inkoop van alle participaties te komen niet als een stuitingshandeling worden beschouwd, ook al omdat een duidelijke sommatie en een termijn voor nakoming ontbreken (vgl. Hoge Raad, 18 september 2015, HR:2015:2741 en Hoge Raad, 4 oktober 2019, HR:2019:1489).

Dat wordt niet anders door het sturen van een korte herinneringsbrief door de notaris op 13 november 2014, noch door de brief van appellante van 25 april 2015.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over verjaring van vorderingen in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.