De Rechtbank Noord-Holland heeft op 7 april 2021 uitspraak gedaan over de vraag of een aandeel in een nalatenschap was verbeurd wegens het verzwijgen en het onttrekken van gelden uit een nalatenschap.
Tussen eiseres en gedaagde is een geschil ontstaan over de wijze waarop de nalatenschap van hun moeder moet worden verdeeld.
Het gaat in deze zaak om de verdeling van de nalatenschap van erflaatster, in welke nalatenschap eiseres en gedaagde ieder voor een gelijk deel gerechtigd zijn.
Tussen eiseres en gedaagde is niet in geschil dat de schulden van de nalatenschap aan externe partijen zijn voldaan, zodat de nalatenschap gereed is voor verdeling.
Voor zover de erfgenamen over een verdeling niet tot overeenstemming kunnen komen, gelast op vordering van de meest gerede partij de rechter de wijze van verdeling of stelt hij zelf de verdeling vast, rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang (zie artikel 3:185 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW)).
Bij de vaststelling van de verdeling van de nalatenschap geldt als uitgangspunt dat voor wat betreft de vaststelling van de omvang en samenstelling van de tot de nalatenschap behorende vermogensbestanddelen het tijdstip onmiddellijk na overlijden van erflater, in dit geval 10 juni 2016, als peilmoment heeft te gelden.
Voor de waardering van de tot de nalatenschap behorende vermogensbestanddelen geldt als uitgangspunt dat de hoofdregel is dat het moment waarop de verdeling plaatsvindt, heeft te gelden als peildatum voor de waardering.
Van deze hoofdregel kan worden afgeweken indien partijen een andere peildatum overeen zijn gekomen of indien de rechter meent dat op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid van de hoofdregel dient te worden afgeweken.
Tot de onverdeelde nalatenschap behoren de nodige liquide middelen (geld), waaronder de verkoopopbrengst van de woning en de saldi op de SNS e/o rekening, de ING ervenrekening en de ING profijtrekening.
Daarnaast heeft de nalatenschap vorderingen op gedaagde.
Eiseres stelt zich op het standpunt dat gedaagde uit de nalatenschap een bedrag van in totaal € 77.336,63 heeft onttrokken.
Gedaagde stelt een vordering op de nalatenschap te hebben in verband met door haar betaalde notariskosten.
Erfrecht. Verdeling van een erfenis. Onttrekking van gelden uit een nalatenschap. Verzwegen goederen. Verbeuren van aandeel in nalatenschap?
De rechter oordeelt als volgt.
Eiseres doet een beroep op artikel 3:194 lid 2 BW: zij stelt dat gedaagde de overboeking van € 60.000,- en betalingen van € 2.333,29 en € 1.803,34 opzettelijk heeft verzwegen en daarmee haar aandeel in deze vermogensbestanddelen heeft verbeurd.
Artikel 3:194 lid 2 BW luidt als volgt:
“Een deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, verbeurt zijn aandeel in die goederen aan de andere deelgenoten.”
Deze bepaling is alleen van toepassing op de verdeling van de bijzondere gemeenschappen genoemd in artikel 3:189 BW, zoals een nalatenschap.
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat niet kan worden aanvaard dat het begrip ‘opzettelijk’ als bedoeld in artikel 3:194 lid 2 BW aldus moet worden verstaan dat is vereist dat de desbetreffende deelgenoot het oogmerk had om rechten van de deelgenoten of de schuldeisers te verkorten.
Voor het ‘opzettelijk’ verzwijgen, zoek maken of verborgen houden van een goed als bedoeld in artikel 3:194 lid 2 BW is voldoende dat de desbetreffende deelgenoot weet dat het verzwegen goed tot de gemeenschap behoort.
Gelet op de hoofdregel van artikel 150 Rv rusten de stelplicht en bewijslast met betrekking tot de feiten en omstandigheden die worden aangevoerd ter toelichting van een beroep op artikel 3:194 lid 2 BW, op degene die zich op deze bepaling beroept.
Aan het bewijs van het in artikel 3:194 lid 2 bedoelde opzet moeten hoge eisen worden gesteld.
De rechtbank zal het beroep van eiseres op artikel 3:194 lid 2 BW beoordelen aan de hand van het door de Hoge Raad geformuleerde criterium.
Gedaagde betwist niet dat zij op 25 augustus 2015 een bedrag van € 60.000,- naar haar eigen bankrekening heeft overgeboekt.
Gedaagde stelt dat zij daarover eerder heeft verklaard dat de overboeking is gedaan in verband met de eigen bijdrage die moeder anders verschuldigd zou zijn aan het verzorgingshuis.
Later heeft moeder, aldus gedaagde, tegen haar gezegd dat zij het geld mocht houden.
Moeder was namelijk van mening dat de wijziging van haar testament – de aanwijzing van eiser als executeur – onder druk tot stand was gekomen.
Zij vond achteraf dat het niet was gegaan zoals zij het had gedacht. Daarom zei zij: “neem jij het geld maar, dan heb je in ieder geval alvast wat”.
Het geld was bedoeld voor de aflossing van haar eigen hypotheek en is daarvoor ook gebruikt.
Volgens gedaagde is van een doelbewust verborgen houden van de gift van moeder geen sprake.
De overboeking was zichtbaar op de rekeningafschriften en daarin had eiser als executeur via online bankieren inzage.
Gelet op de betwisting door eiseres van de stelling van gedaagde dat de betaling van het bedrag van € 60.000,- aan zichzelf die zij heeft uitgevoerd vanaf de bankrekening van moeder (achteraf) moet worden aangemerkt als een schenking, is het betoog van gedaagde naar het oordeel van de rechtbank ontoereikend om een schenking van € 60.000,- van moeder aan gedaagde aan te kunnen nemen.
Voor een schenking is immers een wilsverklaring van de schenker nodig waaruit blijkt dat de schenker de begiftigde heeft willen bevoordelen.
Een dergelijke wilsverklaring is in dit geval niet komen vast te staan.
Vaststaat dat moeder geen opdracht heeft gegeven om het bedrag van € 60.000,- aan gedaagde over te maken.
Volgens gedaagde heeft zij daartoe zelf besloten om te voorkomen dat moeder een eigen bijdrage verschuldigd zou zijn aan het verzorgingshuis.
De enkele stelling van gedaagde dat moeder het daarmee achteraf eens was en later op een niet nader geconcretiseerd moment tegen haar heeft gezegd dat zij het bedrag mocht houden, nog daargelaten de vraag of uit de door gedaagd aangehaalde verklaring van moeder een uitdrukkelijke wilsverklaring om het bedrag te schenken kan worden afgeleid, is onvoldoende om een schenking van moeder aan gedaagde aan te nemen.
Voor die stelling heeft zij ook geen bewijs aangeboden.
De rechtbank neemt hierbij mede in overweging dat niet is gesteld of gebleken dat gedaagde met betrekking tot voormeld bedrag van € 60.000,- een aangifte voor schenkbelasting heeft gedaan.
Gedaagde heeft wetende dat tot de nalatenschap een vordering op haar behoorde van € 60.0000,-, die vordering voor eiseres verzwegen.
Pas na het overlijden van moeder en nadat eiser als executeur met zijn werkzaamheden was gestart en over de bankafschriften van moeder kon beschikken, heeft gedaagde aan eiser uitleg gegeven over het door haar ontvangen bedrag van € 60.000,-.
Naar het oordeel van de rechtbank had gedaagde uit eigener beweging eerder melding moeten maken van het bestaan van deze vordering en haar melding niet moeten laten afhangen van de bevindingen en vragen van de executeur.
Gedaagde heeft tot de vraag van eiser om openheid van zaken te geven, altijd gezwegen over het ontvangen bedrag van € 60.000,-.
Deze overboeking was niet opgenomen in het overzicht dat gedaagde aan eiser op 19 juni 2016 had toegestuurd.
Eiser heeft de overboeking zelf via de bankafschriften van moeder achterhaald.
Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank hetgeen door eiseres is aangevoerd toereikend om wetenschap van gedaagde in de hiervoor bedoelde zin, aan te kunnen nemen.
Door te zwijgen in de wetenschap dat tot de nalatenschap een vordering op haar van € 60.000,- behoorde, terwijl spreken geboden was, treedt de sanctie van artikel 3:194 lid 2 BW in werking ten aanzien van het bedrag van € 60.000,-.
Dit betekent dat gedaagde haar aandeel in dit vermogensbestanddeel heeft verbeurd.
De vordering van eiseres slaagt op dit punt.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het verzwijgen en onttrekken van goederen of gelden uit een nalatenschap, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.
Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.