Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 6 april 2021 uitspraak gedaan over de vraag of bij de berekening van de legitieme een aantal gestelde giften op de legitieme in mindering gebracht diende te worden.

Tussen partijen is niet in discussie dat het saldo van de nalatenschap van erflater € 347.862,05 bedraagt.

Volgens geïntimeerde moet dit saldo worden vermeerderd met een bedrag van € 500,00, zijnde de helft van het bedrag van € 1.000,00 dat zijn ouders op 15 maart 2008 aan zijn zus hebben geschonken.

De executeur betwist dat sprake is geweest van een schenking.

De overboeking van € 1.000,00 betrof een vergoeding voor door de zus gemaakte kosten in verband met ziekte van erflaters in die periode.

Voor zover het wel als schenking moet worden aangemerkt, moet het worden gezien als een gebruikelijke schenking.

Het hof is van oordeel dat geïntimeerde in het licht van de gemotiveerde betwisting van de executeur onvoldoende heeft onderbouwd waarom genoemd bedrag als een schenking moet worden aangemerkt.

Dit betekent dat bij de berekening van het saldo van de nalatenschap van erflater dit bedrag niet wordt meegenomen.

Volgens de grief heeft de rechtbank ten onrechte geen rekening gehouden met de door geïntimeerde van zijn ouders ontvangen schenkingen.

De executeur stelt dat geïntimeerde voor zijn vervolgstudie een half jaar gebruik heeft gemaakt van een door zijn ouders gehuurde woning en voorts dat zijn ouders de premie van zijn arbeidsongeschiktheidsverzekering hebben betaald.

De executeur begroot deze giften – naar hij stelt zeer behoudend – op € 7000,00, welk bedrag hij voor de helft aan erflater en voor de helft aan erflaatster toerekent.

Bij de berekening van de legitieme portie is het saldo van de nalatenschap van erflater vermeerderd met een bedrag van € 3.500,00 en vervolgens is de legitieme portie met eenzelfde bedrag verminderd c.q. geïmputeerd.

Geïntimeerde betwist dat van schenkingen sprake is geweest.

De door zijn ouders gehuurde woning is niet voor hem, maar voor de studie van de executeur gehuurd.

Geïntimeerde heeft daar inderdaad een half jaar ingewoond, maar gedurende dat half jaar heeft hij alle kosten van de huishouding betaald.

Volgens geïntimeerde hebben zijn ouders hoogstens de eerste maand van de verzekeringspremie betaald, dus maximaal een bedrag van fl. 33,33.

Het hof is van oordeel dat in het licht van deze gemotiveerde betwisting van geïntimeerde de executeur onvoldoende concrete aanknopingspunten heeft aangereikt om te kunnen concluderen dat van schenkingen of giften aan geïntimeerde sprake is geweest.

Ook is het hof met geïntimeerde van oordeel dat de door hem ontvangen arbeidsongeschiktheidsuitkering niet als een schenking of gift kan worden aangemerkt.

Deze uitkering heeft als grondslag de arbeidsongeschiktheid van geïntimeerde.

De premiebetaling door erflaters – voor zover daar al vanuit kan worden gegaan – had niet de strekking geïntimeerde ten koste van het eigen vermogen te verrijken met die uitkering.

Dit alles leidt ertoe dat voor het saldo van de nalatenschap van erflater uitgegaan moet worden van het bedrag van € 347.862,05.

Op grond van art. 4:64 lid 1 BW staat vast dat de legitieme portie van geïntimeerde één tiende deel bedraagt van het saldo van de nalatenschap van erflater, dus € 34.786,20.

Partijen verschillen van mening over de wijze waarop vervolgens de erfdelen van de vier erfgenamen van erflater – moeder, de executeur en de twee zussen – moeten worden berekend.

Volgens geïntimeerde moet het saldo van de nalatenschap eerst worden verminderd met zijn legitieme portie en moet daarna het resterende saldo worden verdeeld onder de erven.

De executeur daarentegen stelt dat de legitimaire aanspraak van geïntimeerde de omvang van de erfdelen van de kinderen in de nalatenschap van erflater niet beperkt.

Het hof overweegt als volgt.

Het standpunt van de executeur kan niet worden gevolgd, want zoals geïntimeerde terecht stelt, moet het saldo dat resteert na aftrek van de legitieme onder de erfgenamen worden verdeeld.

De erfgenamen dienen immers ieder in evenredigheid bij te dragen aan voldoening van de legitieme (zie art. 4:80 lid 2 BW).

Iedere erfgenaam heeft vervolgens recht op één vierde van het saldo dat na aftrek van de legitieme resteert, dus op een bedrag van € 78.268,96 (€ 347.862,05 -/- € 34.786,20 = € 313.075,85 : 4).

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over giften of schenkingen in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.