De Rechtbank Amsterdam heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over de vraag of een schenking vernietigd kon worden wegens misbruik van omstandigheden, of op grond van wilsonbekwaamheid van de schenker of vanwege het verbod op Selbsteintritt bij een volmachtsverlening.
Gedaagden en belanghebbende zijn de vier kinderen van erflaatster (de moeder), overleden op 14 november 2015 (en van de eerder overleden vader.
Voorafgaand aan haar overlijden heeft de moeder een testament opgesteld, waarbij eiser als executeur is benoemd.
Belanghebbende en gedaagden zijn door de moeder gezamenlijk tot erfgenaam benoemd, ieder voor gelijke delen.
De afwikkeling van de nalatenschap verkeert in een vergevorderd stadium.
Op 6 augustus 2015 hebben drie overboekingen plaatsgevonden met de omschrijving ‘schenking’, van de en/of rekening van de moeder en de boedel van de vader naar de rekeningen van gedaagden van € 200.000,00 aan ieder (hierna: de overboekingen).
Gedaagde, die een bankmachtiging van de moeder had, had daartoe opdracht gegeven aan de bank.
Uit de boedelbeschrijving volgt dat na deze overboekingen, ten tijde van het overlijden van de moeder, haar totale banksaldo nog € 67.491,00 was.
De moeder heeft op 9 juli 2015 een hersenscan gehad. Op 29 oktober 2015 bericht de neuroloog aan een collega dat “Patiënte eerder op de geheugenpolikliniek werd gezien in verband met een gevorderde dementie. DD gevorderde ziekte van Alzheimer, debuut met nonfluent variant primaire progressieve afasie, PSP. (…) De MRI scan past het meest bij frontotemporale dementie (=PSP spectrum; humming bird sign niet goed te beoordelen).”
Eiser legt primair aan zijn vordering ten grondslag dat de overboekingen geen schenkingen waren en dus onverschuldigd zijn betaald, dan wel dat gedaagden ongerechtvaardigd zijn verrijkt, dan wel dat die overboekingen een onrechtmatige daad opleveren ten opzichte van eiser.
Subsidiair stelt eiser dat de overboekingen tot stand zijn gekomen door misbruik van omstandigheden en vernietigbaar zijn, dan wel dat bij de moeder haar wil ontbrak, mocht zij inderdaad opdracht hebben gegeven tot de overboekingen, zodat de overboekingen vernietigbaar, dan wel nietig zijn.
Meest subsidiair is volgens eiser sprake van (een verbod op) Selbsteintritt, zodat de overboekingen niet geldig zijn verricht.
Erfrecht. Schenking. Ongerechtvaardigde verrijking? Misbruik van omstandigheden? Wilsonbekwaamheid van de schenker? Volmacht. Selbsteintritt? Vernietiging van schenking?
De rechter oordeelt als volgt.
De rechtbank zal de verschillende rechtsgronden die eiser voor zijn vordering heeft aangevoerd achtereenvolgens beoordelen.
Onverschuldigde betaling/ongerechtvaardigde verrijking
Eiser stelt dat gedaagden geen titel had om de overboekingen te verrichten, zodat aan gedaagden onverschuldigd is betaald, dan wel dat gedaagden ongerechtvaardigd is verrijkt, dan wel dat ten opzichte van de boedel een onrechtmatige daad is gepleegd.
Daarnaast stelt eiser dat de bewijslast van het gegeven dat er wel een titel, namelijk schenking, aanwezig was, bij gedaagden ligt.
De rechtbank overweegt als volgt.
Volgens artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering draagt de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van de door haar gestelde feiten of rechten, in beginsel de bewijslast van die feiten of rechten.
Nu eiser stelt dat de overboekingen onterecht zijn gedaan en daaraan een rechtsgevolg verbindt, namelijk terugbetaling, is hij degene die die stelling moet onderbouwen en zo nodig bewijzen.
Anders dan eiser meent is het beroep van gedaagden op een schenking geen bevrijdend verweer.
Het is eiser die stelt dat aan de overboekingen geen titel ten grondslag lag, terwijl bij de overboekingen als omschrijving vermeld staat: ‘schenking’.
Het is dan aan hem om feiten te stellen en zo nodig aan te tonen dat daarvan geen sprake was.
Het arrest van het gerechtshof Den Haag van 24 mei 2016, GHDHA:2016:1575, waarop eiser zich beroept, heeft betrekking op een ander feitencomplex: daar ging het om contant geldopnames.
Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij niet weet of gedaagden de vermeende schenking heeft besproken met de moeder.
Uit zijn verklaring blijkt verder dat hij niet gelooft dat de moeder de bedragen wilde schenken aan gedaagden en daarom, bij gebrek aan wetenschap, de schenkingen betwist.
Dit is een aanname.
Eiser heeft niets concreets aangevoerd waaruit zou blijken dat de moeder de overgeboekte bedragen niet heeft geschonken.
Ook uit de processtukken is dat niet af te leiden.
Daarom heeft eiser onvoldoende gesteld om tot het oordeel te kunnen komen dat aan de overboekingen geen titel van schenking ten grondslag lag, zodat zal worden uitgegaan van een schenking.
Misbruik van omstandigheden
Subsidiair stelt eiser dat de schenking door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen.
Hij voert daartoe het volgende aan.
Hij heeft jarenlang de vader en moeder over financiële zaken geadviseerd.
Op enig moment heeft de vader zijn bedrijf overgedragen aan belanghebbende . Gedaagden] vonden dat belanghebbende daardoor sterk werd bevoordeeld. Dat wordt door belanghebbende betwist.
Na het overlijden van de vader kwam het beheer van het vermogen van de moeder steeds meer bij belanghebbende te liggen.
Belanghebbende en gedaagde beschikten over een bancaire volmacht van de moeder.
De fysieke en mentale gezondheid van de moeder nam in de loop der tijd af. Eind 2014/begin 2015 heeft de moeder enkele malen in het ziekenhuis gelegen en vervolgens enkele maanden bij belanghebbende in huis gewoond. Kort voor haar overlijden is ze weer in haar eigen huis gaan wonen met 24-uurs zorg. Uit het bericht van de neuroloog volgt dat de moeder in 2015 leed aan gevorderde dementie. Zij was verward en kon de gevolgen van haar uitingen niet meer goed overzien. In oktober 2015 is nog gesproken over ondercuratelestelling van de moeder en drong gedaagde daarop aan.
Verder heeft volgens belanghebbende de moeder kort voor haar overlijden tegen hem gezegd dat zij zich niet herinnerde dat zij had ingestemd met de overboekingen, aldus nog steeds eiser. Het bevreemdt hem dat de moeder belanghebbende niet heeft ingelicht over de schenking, terwijl hij het financiële beheer over haar vermogen voerde, dat zij geen advies heeft ingewonnen bij eiser en dat er geen schriftelijk stuk of notariële akte van de schenking is opgemaakt, terwijl de moeder een vaste huisnotaris had.
Eiser stelt dat alles erop wijst dat gedaagden misbruik hebben gemaakt van de afhankelijke situatie waarin de moeder verkeerde als gevolg van haar gevorderde dementie, en van de omstandigheid dat gedaagde gemachtigd was om de overboekingen te doen.
Gedaagden hebben daartegen het hiervoor vermelde verweer gevoerd.
Volgens artikel 7:176 van het Burgerlijk Wetboek (BW) rust, indien de schenker feiten stelt waaruit volgt dat de schenking door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen, bij een beroep op vernietigbaarheid van die schenking de bewijslast van het tegendeel op de begiftigde.
In dit geval heeft eiser als executeur dergelijke feiten gesteld.
De rechtbank overweegt echter dat de wetgever met dit artikel de positie van de schenker zelf heeft willen versterken.
Het artikel is een uitzondering op de normale bewijslastverdeling.
In dit geval is de schenker, de moeder, overleden en doet een ander dan de schenker, namelijk eiser, een beroep op de vernietigbaarheid.
Hij is geen belanghebbende, dat zijn de erfgenamen.
De belangen van de erfgenamen zijn strijdig met elkaar: de schenking is in het belang van gedaagden en niet in het belang van belanghebbende.
Bovendien volgt uit de feiten die gedaagden in hun verweer aanvoeren dat de moeder bij meerdere gelegenheden in juli 2015 en in oktober 2015 haar wens heeft geuit om aan gedaagden de schenkingen te doen.
Eiser acht dit ongeloofwaardig maar in elk geval het briefje van 20 juli 2015 ondersteunt het verweer van gedaagden.
Dit alles leidt ertoe dat het in dit geval in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid is om de bewijslast bij gedaagden te leggen, zodat eiser dient te stellen en zo nodig bewijzen dat sprake is van misbruik van omstandigheden.
Volgens artikel 3:44 lid 4 BW is misbruik van omstandigheden aanwezig als iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals een abnormale geestestoestand, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of met begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden.
Volgens eiser zou dat misbruik bestaan uit – kort gezegd – het gebruik van de bankpas van de moeder door gedaagde, de geestelijke gesteldheid van de moeder en de geheimzinnigheid rondom de schenkingen tegenover belanghebbende.
Dat is onvoldoende om misbruik van omstandigheden aan te nemen.
Voor toepassing van artikel 3:44 lid 4 BW is namelijk nodig dat degene die misbruik gemaakt zou hebben, wist of had moeten weten van de abnormale geestestoestand.
Hetgeen eiser stelt zegt niets over de vraag of het voor gedaagden kenbaar was dat zij misbruik maakten.
Met name waren zij niet bekend met de hersenscan die moeder heeft gehad en de daaropvolgende diagnose dementie, zoals zij onweersproken ter zitting hebben gesteld.
Eiser heeft dan ook onvoldoende gesteld om tot misbruik van omstandigheden te kunnen komen.
Ontbreken wil door geestelijke stoornis
Eiser heeft verder aangevoerd dat de wil van de moeder ontbrak vanwege haar geestelijke stoornis.
Het is aan eiser deze geestelijke stoornis te stellen en zo nodig te bewijzen.
Artikel 3:34 lid 1 BW bepaalt: heeft iemand wiens geestvermogens blijvend of tijdelijk zijn gestoord, iets verklaard, dan wordt een met de verklaring overeenstemmende wil geacht te ontbreken, indien de stoornis een redelijke waardering der bij de handeling betrokken belangen belette, of indien de verklaring onder invloed van die stoornis is gedaan.
Een verklaring wordt vermoed onder invloed van die stoornis te zijn gedaan, indien de rechtshandeling voor de geestelijk gestoorde nadelig was, tenzij het nadeel op het tijdstip van de rechtshandeling redelijkerwijze niet was te voorzien.
In het bericht van 29 oktober 2015 wordt weliswaar de diagnose dementie gesteld, maar alleen de scan is in juli 2015 gemaakt, het bericht zegt niets over wanneer en op basis waarvan de diagnose nog meer is gesteld, zodat het bericht weinig zegt over de situatie in juli 2015.
Gedaagden hebben daarbij gemotiveerd betwist dat de diagnose voldoende is voor het bewijs van een geestelijke stoornis in de zin van artikel 3:34 BW.
De vermelding van dementie in het bericht zegt, zoals zij onweersproken hebben gesteld, nog niet veel over het inschattingsvermogen van de moeder op dat moment.
PSP is bijvoorbeeld een ziekte die niet direct in verband gebracht wordt met het achteruitgaan van de cognitie en het geheugen. Van frontotemporale dementie zijn drie varianten, die niet allemaal in verband worden gebracht met veranderingen in gedrag of het beoordelen van situaties.
Dat de moeder niet meer kon praten en niet voor zichzelf kon zorgen, zoals tussen partijen niet in geschil is, is onvoldoende om nu vast te stellen dat de moeder in juli 2015 een geestelijk stoornis had in de zin van het artikel.
Selbsteintritt
Meest subsidiair stelt eiser dat sprake is van Selbsteintritt.
Volgens artikel 3:68 BW kan een gevolmachtigde (in dit geval gedaagde) slechts dan als wederpartij van de volmachtgever (de moeder) optreden, wanneer de inhoud van de te verrichten rechtshandeling zo nauwkeurig vaststaat, dat strijd tussen beider belangen is uitgesloten.
Hiertoe hebben gedaagden een briefje met een verklaring van de moeder in het geding gebracht.
Naar het oordeel van de rechtbank is de inhoud van dit briefje te vaag om te spreken van een zo nauwkeurig vaststaande rechtshandeling dat strijd tussen het belang van de moeder en dat van gedaagde is uitgesloten.
Niet duidelijk is waarom, wanneer, hoeveel en door wie moet worden overgemaakt.
Wel is door gedaagden gesteld dat overige gedaagden op 9 oktober 2015 met de moeder, op verzoek van de vestigingsdirecteur, bij de bank zijn geweest en dat de moeder daar, in het bijzijn van de vestigingsdirecteur en een medewerkster, heeft verklaard dat zij de schenkingen inderdaad heeft willen doen.
Gedaagden heeft uitvoerig beschreven wanneer en met wie (naam vestigingsdirecteur en medewerkster) deze bijeenkomst heeft plaatsgevonden en wat de inhoud en aanleiding daarvan was.
Daartegenover heeft eiser de bijeenkomst slechts betwist bij gebrek aan wetenschap.
Dat is onvoldoende om niet uit te gaan van het door gedaagden gestelde.
Zodoende wordt ervan uitgegaan dat de moeder bij de bank heeft verklaard dat zij aan gedaagden de overgeboekte bedragen van elk € 200.000,00 heeft willen schenken.
Dit maakt dat strijd tussen de belangen van de moeder en gedaagde, zoals bedoeld in artikel 3:68 BW, is uitgesloten.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over de vernietiging van een schenking, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.
Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.