De Rechtbank Rotterdam heeft op 23 juni 2021 uitspraak gedaan over de vraag of gevolmachtigden van de erflaters voor hun overlijden zonder toestemming gelden hadden opgenomen ten behoeve van zichzelf.
Erflaatster is overleden op 5 februari 2016.
Erflaatster had geen kinderen. Vier neven en nichten van erflaatster zijn haar erfgenamen.
Zij hebben de nalatenschap beneficiair aanvaard en aan A een volmacht gegeven om hun belangen waar te nemen en hen te vertegenwoordigen ter zake het beheer als bedoeld in artikel 3:170 lid 2 BW over de goederen van de nalatenschap van erflaatster en het beschikken hierover, waaronder begrepen het verkopen en leveren van registergoederen en effecten, het opheffen van bankrekeningen en het vereffenen van de nalatenschap overeenkomstig de voorschriften van afdeling 3 van titel 6 van Boek 4 BW.
Erflater en erflaatster hebben op 3 februari 2010 een algehele volmacht aan B en C ondertekend.
Volgens A waren de belangen van erflater en erflaatster leidend bij het gebruik van de volmacht door gedaagden en hebben gedaagden in strijd gehandeld met de door erflater en erflaatster aan hen gegeven volmacht van 3 december 2010, omdat zij bedragen hebben opgenomen en betalingen hebben verricht ten behoeve van henzelf die niet ten behoeve van erflater en/of erflaatster kwamen.
Ook na het overlijden van erflaatster zijn gedaagden hiermee doorgegaan.
Volgens A hebben gedaagden hiermee de bevoegdheden op grond van de notariële volmacht overschreven, zichzelf ongerechtvaardigd verrijkt, onrechtmatig gehandeld en misbruik gemaakt van de omstandigheden.
Zij heeft daarom een bedrag van € 203.560,- gevorderd.
Gedaagden hebben weersproken dat zij voor het overlijden van erflater en erflaatster van hun bankrekeningen bedragen ten behoeven van henzelf hebben opgenomen en betalingen hebben verricht.
Zij hebben daaraan het volgende ten grondslag gelegd.
Erflaatster beheerde haar financiën zelf.
Gedaagden hebben erflater en erflaatster wel geholpen, maar alles is in overleg met erflater en erflaatster gedaan.
C pinde wel eens voor erflaatster en deed overschrijvingen voor haar, maar dat was altijd op verzoek van erflaatster en zij was er dan zelf bij.
De opgenomen bedragen waren wel degelijk in het belang van en bestemd voor erflater en erflaatster.
Erflaatster wilde tijdens haar laatste levensjaren genieten van het leven en heeft dat ook gedaan.
Ze zei vaak dat ze al het geld op ging maken. Ze dronk veel dure wijn en rookte veel sigaretten. Ook hield ze van dure spullen en van lekker eten.
Het is niet zo dat erflaatster na haar hersenbloeding helemaal niets meer begreep. Deze periode duurde maar even. Erflaatster was na haar hersenbloeding nog goed bij de tijd en gaf geregeld en heel vaak geld en cadeautjes aan anderen. Ook gaf erflaatster aan goede doelen.
Pas in 2019 hoorden gedaagden dat er een volmacht was met hun namen erop. Eerder had erflaatster wel gezegd dat alles goed geregeld was.
Erflaatster was zelf goed in staat om te bepalen waar ze haar geld aan uitgaf.
Gedaagden betwisten dat zij de bankafschriften van erflater en erflaatster van de Rabobank en ING Bank ontvangen hebben, ondanks dat deze aan hen geadresseerd waren. Ook betwisten zij dat ze een bankpasje van erflaatster hadden. C wist wel de pincode, maar gebruikte het pasje alleen als erflaatster erbij was en gaf het pasje daarna weer terug aan erflaatster.
Gedaagden hebben wat de opnames betreft die zijn gedaan van de bankrekeningen bij de Rabobank en de ING Bank na het overlijden van erflaatster, betwist dat al die opnames door hen gedaan zijn.
Zij hebben geen creditkaart op naam van erflaatster in hun bezit gehad. Voorts heeft C ook een bedrag van € 3.600,- voorgeschoten ter zake de uitvaartverzorging van erflaatster. Dat bedrag moet volgens C verrekend worden met de wel door haar opgenomen bedragen na het overlijden van erflaatster.
Erfrecht. Hebben de gevolmachtigden van de erflaters voor hun overlijden zonder toestemming gelden opgenomen ten behoeve van zichzelf? Bewijsopdracht.
De rechter oordeelt als volgt.
De rechtbank stelt voorop dat A niet heeft gevorderd dat gedaagden rekening en verantwoording afleggen over het beheer van het vermogen van erflater en erflaatster.
Daarvoor is overigens vereist dat vast komt te staan dat gedaagden daadwerkelijk het beheer hebben gevoerd over de financiën van erflater en erflaatster, hetgeen door hen is weersproken.
De rechtbank stelt voorts voorop dat gedaagden op grond van de volmacht en artikel 3:68 BW geen transacties mogen verrichten als volmachtsnemer ten behoeve van henzelf.
Partijen verschillen van mening over de vraag of hier sprake van is geweest.
Gedaagden stellen dat dit niet het geval is omdat erflaatster zelf besloot wat ze met haar geld deed, zodat alle uitgaven op de bankafschriften door haarzelf zijn gedaan en dat de bedragen die gedaagden van erflaatster hebben ontvangen van erflaatster zelf afkomstig waren, omdat erflaatster dan wilde dat gedaagden die bedragen ontvingen.
Volgens A hebben gedaagden zonder toestemming ten behoeve van henzelf gebruik gemaakt van de bankrekening van erflater en erflaatster, hetgeen in strijd is met de aan hen gegeven volmacht.
Nu gedaagden gemotiveerd hebben weersproken dat zij de bankrekeningen van erflater en erflaatster hebben gebruikt ten behoeve van henzelf, ligt het op de weg van A om dit te bewijzen.
A heeft ter onderbouwing van haar stelling dat de gelden niet ten goede zijn gekomen aan erflater en erflater gewezen op de bankafschriften.
Hierop staan volgens haar afschrijvingen die erflater en erflaatster en later alleen erflaatster nooit gedaan kunnen hebben, zoals onder andere uitgaven voor kleding, benzine en restaurants.
Erflater en erflaatster zaten in een verzorgingshuis en hadden niet veel behoeften. Ook gaven ze geen grote bedragen uit aan goede doelen en deelden ze geen cadeautjes uit. Van leuke uitstapjes en etentjes was geen sprake, aldus A.
Tevens heeft A gewezen op de volmacht van erflater en erflaatster aan gedaagden.
Op grond van deze volmacht hadden gedaagden volgens haar de beschikking over de bankrekeningen van erflater en erflaatster. A vindt het ongeloofwaardig dat gedaagden pas in 2019 op de hoogte raakten van de volmacht, want C heeft op 8 juli 2019 wel de volmacht opgevraagd bij de juiste notaris.
A heeft voorts gewezen op de inkomsten van erflater en erflaatster en van erflaatster na het overlijden van erflater (ongeveer € 50.000,- netto per jaar) en op de verkoopopbrengst van hun woning van ongeveer € 200.000,-.
Het is volgens A, gelet op de gezondheidstoestand van erflater in 2011 (dementie) en gelet op de gezondheidstoestand van erflaatster na haar hersenbloeding eind 2014, volstrekt onaannemelijk dat met instemming en goedkeuring van erflater en erflaatster een bedrag van afgerond € 400.000,- is opgemaakt in de periode van 1 januari 2012 tot en met 5 februari 2016.
A heeft daarnaast erop gewezen dat de bankafschriften van erflater en erflaatster zijn geadresseerd op het woonadres van gedaagden, zodat het volgens haar ongeloofwaardig is dat zij niets te maken hebben gehad met de uitgaven van erflater en erflaatster.
A heeft naast het voorgaande gewezen op de volgende gebeurtenissen waaruit volgens haar blijkt dat gedaagden het niet zo nauw nemen met de waarheid en alles in het werk stellen om hun onrechtmatig handelen te maskeren.
B heeft volgens A altijd gezegd dat hij geen volmacht had van erflater en erflaatster, maar in deze procedure is gebleken dat in 2010 wel degelijk een volmacht aan hem is gegeven.
De rechtbank is van oordeel dat A, gelet op de gemotiveerde betwisting van gedaagden, met het voorgaande op dit moment onvoldoende heeft onderbouwd dat gedaagden zonder medeweten en toestemming van erflater en/of erflaatster gelden hebben opgenomen van de bankrekeningen van erflater en erflaatster die alleen aan gedaagden en niet aan erflater en/of erflaatster ten goede zijn gekomen en hiermee in strijd hebben gehandeld met de volmacht.
Evenmin is er voldoende grond om dit voorshands aannemelijk te achten en gedaagden toe te laten om tegenbewijs te leveren.
Hoewel er gelet op hetgeen A heeft aangevoerd getwijfeld kan worden aan de verklaringen van gedaagden over het uitgavenpatroon van met name erflaatster, is dit – nu dit door gedaagden gemotiveerd is weersproken – onvoldoende om voorshands bewezen te achten dat de geldopnames van de bankrekeningen van erflater en erflaatster door gedaagden ten behoeve van henzelf zijn gedaan.
Uit hetgeen A heeft aangevoerd blijkt onvoldoende dat (met name) erflaatster niet goed in staat was om haar wil te bepalen en zij niet achter de opgenomen en uitgegeven bedragen stond.
Sommige geldopnames zijn misschien gelet op de leeftijd van erflaatster en haar woonsituatie verdacht, maar dat betekent niet automatisch dat deze door gedaagden gedaan zijn of dat, ook al zijn deze opnames wel door gedaagden gedaan of aan hen ten goede gekomen, dit niet de wens van erflaatster is geweest.
Kort gezegd: er is wel rook, maar (nog) geen vuur of: het riekt wel, maar het stinkt (nog) niet.
A zal daarom tot het bewijs van haar stellingen worden toegelaten.
Omdat tussen partijen niet in geschil is dat erflater dementerend was voorafgaand aan zijn overlijden, moet deze bewijslevering in ieder geval – maar niet uitsluitend – zien op de gezondheidstoestand van erflaatster en de bekwaamheid van erflaatster om haar wil te bepalen.
Daarbij zal onder andere aan de orde moeten komen de leefsituatie van erflaatster, haar consumptieniveau en in welke mate zij cadeautjes en giften gaf aan derden.
Hetgeen hiervoor is overwogen ziet met name op de bedragen die zijn opgenomen voor het overlijden van erflaatster.
Partijen zijn het er over eens dat gedaagden na het overlijden van erflaatster de bankrekening van erflaatster hebben gebruikt.
Niet alleen hebben zij bedragen opgenomen van de bankrekeningen, maar ook zijn er regelmatig door gedaagden of C bedragen gestort op de rekening van erflaatster.
Deze stortingen lijken zelfs hoger te zijn dan de opnames áls gedaagden gevolgd kunnen worden in hun stelling dat zij niet in het bezit waren van een creditkaart op naam van erflaatster en daarmee geen betalingen hebben verricht.
Het ligt ook op de weg van A om te bewijzen dat de na het overlijden van erflaatster gedane betalingen met de creditkaart van erflaatster door gedaagden gedaan zijn, zodat zij ook tot het bewijs hiervan wordt toegelaten.
De rechtbank merkt wel alvast op dat C tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat zij na het overlijden van erflaatster bedragen heeft opgenomen van de bankrekening van erflaatster omdat C een bedrag van € 3.600,- heeft voorgeschoten van de uitvaarverzorging van erflaatster. Dit betekent dat C niet gevolgd kan worden in haar stelling dat nog een bedrag van € 3.600,- verrekend moet worden, nu deze verrekening volgens haar al heeft plaatsgevonden.
Gelet op het voorgaande wordt A in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten over de bewijslevering. In afwachting daarvan wordt iedere – andere dan hieronder genoemde – beslissing aangehouden.
Erflaatster was in het bezit van een Opel Corsa.
Volgens A is deze door B of C aan hun zoon gegeven en waren ze daartoe niet bevoegd op grond van de volmacht.
De rechtbank is van oordeel dat op basis van de e-mailberichten tussen gedaagden en hun zoon G van 7 en 8 februari 2020 A heeft bewezen dat gedaagden de Opel Corsa aan hun zoon hebben gegeven en dat G deze auto niet heeft gekocht van erflaatster voor € 4.000,-.
G zegt in de e-mailberichten immers “we weten allebei dat ik nooit een betaling heb gedaan voor de Opel Corsa” en “ik kan me het niet herinneren, ik kan het nergens terug vinden én ik kan me niet voorstellen dat ik in 2011, 4.000 euro had om uit te geven”.
Dit is door gedaagden onvoldoende weersproken, zodat vaststaat dat G erflaatster niet heeft betaald voor de Opel Corsa.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft C het standpunt ingenomen dat de auto dan geschonken moet zijn door erflaatster, maar deze stelling heeft zij onvoldoende onderbouwd zodat daaraan voorbij wordt gegaan.
Het moet er daarom ervoor worden gehouden dat gedaagden in strijd hebben gehandeld met hun volmacht door de auto van erflaatster aan G te geven, zodat zij worden veroordeeld om € 4.000,- aan A (q.q.) te betalen.
In afwachting van de bewijslevering wordt de beslissing om gedaagden te veroordelen om € 4.000,- aan A te betalen aangehouden.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het onttrekken van gelden uit een nalatenschap, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.
Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.