Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 8 juni 2021 uitspraak gedaan over de bewijskracht van een schriftelijk stuk en van een verklaring van een getuige bij de betwisting van een gestelde geldlening aan de erflater.

Op 28 maart 2017 is overleden de erflater.

Bij testament heeft de erflater geïntimeerde tot executeur benoemd.

Medio april 2017 heeft appellant zich tot de executeur gewend met het verzoek om betaling uit de boedel van een bedrag van € 105.000,-, ter zake van een vordering uit hoofde van geldlening van € 100.000,-, vermeerderd met rente van € 5.000,-.

Erfrecht. Vordering op nalatenschap. Overeenkomst van geldlening. Betwiste handtekening. Bewijskracht schriftelijk stuk en van verklaring van getuige.

De rechter oordeelt als volgt.

Omdat appellant zich beroept op de rechtsgevolgen van de door hem gestelde feiten, rust – zoals ook de rechtbank heeft overwogen – op hem de bewijslast van zijn stelling dat de erflater ten titel van geldlening van appellant een bedrag van in totaal € 100.000,- heeft ontvangen en zich jegens laatstgenoemde heeft verbonden tot terugbetaling van dit bedrag, vermeerderd met een rentevergoeding van € 5.000,-.

Een bijzondere regel of feiten of omstandigheden op grond waarvan naar eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit, zijn gesteld noch gebleken.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat appellant niet in het bewijs van zijn stelling is geslaagd.

Daartoe is het volgende redengevend.

Appellant heeft betoogd dat hij en de erflater onder meer een zakelijke relatie onderhielden en zich daarbij bewogen in het niet legale circuit.

Bij het aangaan van de afspraken is niets op papier gezet. Omdat appellant op enig moment toch zekerheid wilde, heeft hij de erflater gevraagd iets te ondertekenen. Daarop heeft appellant de tekst geschreven op een enveloppe waarin het geld had gezeten en heeft de erflater dit ondertekend.

Ter onderbouwing van zijn stelling dat hij de erflater geld heeft geleend, heeft appellant verder gewezen op het schriftelijk stuk.

Volgens appellant is deze schuldbekentenis dwingend bewijs en volgt daaruit buiten kijf dat de erflater het gevorderde geldbedrag van hem heeft geleend en ontvangen en dat de erflater de gestelde rente is verschuldigd.

Tevens heeft appellant op de verklaring van getuige X gewezen.

Anders dan appellant betoogt, levert het schriftelijk stuk geen dwingend bewijs op van zijn stelling dat de erflater bij wijze van lening in totaal € 100.000,- van appellant heeft ontvangen.

Het schriftelijk stuk betreft een onderhandse akte en als tussen partijen niet in geschil, staat vast dat het door appellant is geschreven.

Gelet hierop en omdat het niet is voorzien van een door de erflater geschreven ‘goedschrift’, waarin het geldbedrag voluit in letters is geschreven, heeft het schriftelijk stuk vrije bewijskracht (artikel 158 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

Het schriftelijk stuk houdt een schuldigverklaring in.

De executeur heeft echter betwist dat de erflater zijn handtekening op het schriftelijk stuk heeft gezet.

Aldus wordt de echtheid van de handtekening betwist.

Nu het hier gaat om een onderhandse akte, rust op degene die zich van de akte als bewijsmiddel wil bedienen, appellant dus, de bewijslast en daarmee het bewijsrisico van de echtheid van de betwiste handtekening (artikel 159 lid 2 Rv).

Ter onderbouwing van zijn stelling dat de erflater het stuk heeft ondertekend, heeft appellant verwezen naar de verklaring van getuige X.

Deze getuige heeft – kort gezegd en voor zover hier van belang – verklaard dat hij de erflater het betreffende stuk heeft zien tekenen.

Tegenover deze verklaring staat, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, het deskundigenrapport waarin wordt geconcludeerd dat de resultaten van het vergelijkend onderzoek veel waarschijnlijker zijn, wanneer de hypothese waar is dat de betwiste handtekening een vervalsing van de handtekening van de erflater is, dan wanneer de hypothese waar is dat de betwiste handtekening een authentieke handtekening is van de erflater.

Appellant heeft tegen dit deskundigenbericht weliswaar bezwaren aangevoerd, maar deze bezwaren doen aan de conclusie van de deskundige niet af.

Met betrekking tot de getuigenverklaring van X acht het hof van belang dat deze getuige nauw aan één van partijen, appellant, is gelieerd, en dat daarom bij de waardering van deze getuigenverklaring de benodigde behoedzaamheid moet worden betracht.

Dat getuige X ten overstaan van de rechtbank onder ede heeft verklaard, maakt dat niet anders.

Gelet hierop en nu, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, de conclusie van de deskundige in het deskundigenbericht een bevestiging is van de (voorlopige) bevindingen in het in opdracht van de executeur voorafgaand aan de procedure opgestelde rapport, weegt de getuigenverklaring naar het oordeel van de rechtbank niet zwaarder dan het deskundigenbericht.

Aldus is, aangezien de stelling dat de handtekening van de erflater overigens niet is onderbouwd, niet komen vast te staan dat de erflater de handtekening heeft gezet.

Dit brengt mee dat het schriftelijk stuk geen bewijs oplevert van de stelling van appellant dat de erflater ten titel van geldlening van appellant een bedrag van in totaal € 100.000,- heeft ontvangen en zich jegens laatstgenoemde heeft verbonden tot terugbetaling van dit bedrag, vermeerderd met een rentevergoeding van € 5.000,-.

De getuigenverklaring van X is ook overigens een onvoldoende onderbouwing van de stelling van appellant.

Zoals hiervoor is overwogen, dient bij de waardering van de getuigenverklaring de benodigde behoedzaamheid te worden betracht.

Dit geldt te meer nu, zoals uit het voorgaande volgt, de verklaring op een belangrijk onderdeel (namelijk het ondertekenen van het schriftelijk stuk) door het deskundigenbericht wordt ontkracht.

Gelet hierop en nu de getuigenverklaring niet door enig ander bewijsmiddelen wordt ondersteund, is deze verklaring naar het oordeel van het hof van onvoldoende gewicht om tot het bewijs van de stelling van appellant te kunnen dienen.

Daarbij is ook van belang dat uit de verklaring niet volgt om welke reden het geld door appellant aan de erflater is verstrekt (en dus of dit bij wijze van lening is gebeurd) en evenmin hoeveel geld door appellant aan de erflater is verstrekt en of de gestelde rente is verschuldigd.

De stelling van appellant en zijn ter onderbouwing daarvan aangevoerde betoog vinden evenmin (voldoende) steun in de overige stellingen en stukken van het dossier.

Gelet op het voorgaande is appellant niet in het hem opgedragen bewijs geslaagd en kan zijn stelling dat de erflater van hem ten titel van geldlening een bedrag van in totaal € 100.000,- heeft ontvangen en zich jegens hem heeft verbonden tot terugbetaling van dit bedrag, vermeerderd met een rentevergoeding van € 5.000,-, niet slagen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het bewijsrecht in het burgerlijk procesrecht , belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.