Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 13 juli 2021 uitspraak gedaan over de vraag of er een rechtmatig belang bestond voor de inzage van stukken met betrekking tot een nalatenschap.
Appellant vordert in dit incident op grond van artikel 843a Rv veroordeling van geïntimeerde tot verstrekking aan appellant van:
- de bankafschriften van de bankrekeningen bij de Rabobank, ING Bank en de ABN AMRO bank die behoren tot de nalatenschap van erflater over de periode vanaf 1 januari 2017 tot en met heden;
- de aanslagen en correspondentie gericht aan erflater dan wel zijn erfgenamen en/of die betrekking hebben op goederen behorend tot de nalatenschap, waaronder de tot de nalatenschap behorende woning, vanaf 1 januari 2017 tot en met de datum van verdeling van de nalatenschap;
- de afspraken die zijn gemaakt met gebruikers/pachters ten aanzien van het gebruik van het tot de nalatenschap behorende perceel cultuurgrond;
- documenten en afspraken met betrekking tot de vordering van de Staat der Nederlanden ad € 16.500,00 inzake de grondverwerving van de ruimte voor de rivier;
- afschriften van declaraties en facturen van schuldeisers van de nalatenschap van erflater waaronder de nota’s die betrekking hebben op de uitvaart van erflater;
- de agenda’s van erflater over de jaren 1985 tot en met 2017;
- informatie over de plaats waar de trouwbijbel van appellant is gebleven, een en ander op verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag of gedeelte van een dag dat geïntimeerde in gebreke blijft hieraan te voldoen.
Appellant vordert verder in dit incident de hoofdelijke veroordeling van geïntimeerden en tot het doen van rekening en het afleggen van verantwoording aan appellant over het door hen gevoerde beheer over de goederen van de nalatenschap, een en ander binnen 30 dagen na het te wijzen arrest in dit incident en op hoofdelijke verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 voor elke dag of gedeelte daarvan dat zij in gebreke blijven hieraan te voldoen.
Erfrecht. Informatieplicht van erfgenamen. Recht op inzage van stukken die de nalatenschap betreffen. Rechtmatig belang? Afleggen van rekening en verantwoording tussen deelgenoten in een gemeenschap?
De rechter oordeelt als volgt.
Voor zover appellant zijn incidentele vordering baseert op artikel 843a Rv stelt het hof het volgende voorop.
Artikel 843a Rv ziet niet op een algemeen recht op inzage, afschrift of uittreksel.
Een vordering op grond van artikel 843a Rv kan slechts worden toegewezen indien degene van wie inzage, afschrift of uittreksel van bescheiden wordt gevorderd deze bescheiden tot zijn beschikking of onder zijn berusting heeft en daarnaast voldaan is aan alle in het eerste lid van dat artikel genoemde voorwaarden, te weten:
- de eiser of verzoeker dient een rechtmatig belang te hebben;
- de vordering dient betrekking te hebben op bepaalde bescheiden en
- de bescheiden dienen een rechtsbetrekking te betreffen waarin de eiser of verzoeker of zijn rechtsvoorganger partij is.
Verder moet zich, indien de belanghebbende zich daarop beroept, geen van de drie in de leden 3 en 4 vervatte uitzonderingen voordoen.
Het hof overweegt ten aanzien van de door appellant onder a tot en met e gevraagde stukken het volgende.
Appellant legt aan zijn vordering ex artikel 843a Rv ten grondslag dat hij recht en belang heeft bij het vaststellen van de omvang en de waarde van de nalatenschap.
Als erfgenamen zijn partijen deelgenoten in de nalatenschap van erflater.
De eisen van redelijkheid en billijkheid brengen mee dat zij over en weer recht hebben op informatie over de omvang en samenstelling van de nalatenschap (artikel 3:166 lid 3 BW).
Hieruit volgt dat op een erfgenaam de verplichting rust aan zijn mede-erfgenamen inzage te geven in de gegevens die hij onder zich heeft, voor zover die mede-erfgenaam die gegevens nodig heeft voor het bepalen van zijn erfrechtelijke aanspraken.
Deze informatieaanspraak verschilt niet wezenlijk van het bepaalde in artikel 4:16 lid 4 BW dat geldt bij een wettelijke verdeling van een nalatenschap als bedoeld in artikel 4:13 BW en bepaalt dat erfgenamen tegenover elkaar recht hebben op inzage in en afschrift van alle bescheiden en gegevensdragers, die zij voor de vaststelling van hun aanspraken op de nalatenschap nodig hebben.
Uit de bewoordingen van artikel 4:16 lid 4 BW (‘alle bescheiden en gegevensdragers’) kan worden afgeleid dat de te verstrekken informatie zo ruim mogelijk moet worden uitgelegd.
Naar het oordeel van het hof heeft datzelfde te gelden voor de op grond van artikel 3:166 lid 3 BW te verkrijgen informatie.
Naar het oordeel van het hof is in het voorgaande het rechtmatig belang van appellant bij de door hem gevraagde stukken onder a tot en met e in zoverre gegeven.
Dat betekent echter nog niet dat zijn vordering op die punten toewijsbaar is.
Geïntimeerde heeft in eerste aanleg al diverse stukken overgelegd met betrekking tot de tot de nalatenschap behorende woning en cultuurgrond.
Bij memorie van antwoord in dit incident hebben geïntimeerden daarnaast afschriften van de door appellant genoemde bankrekeningen, facturen van de begrafeniskosten en een getekende overeenkomst met de Staat der Nederlanden met bijlagen in het geding gebracht.
Geïntimeerden betwisten dat zij naast deze stukken nog beschikken over andere stukken die relevant zijn voor de afwikkeling van de nalatenschap en betwisten iets af te weten over afspraken over het gebruik van het perceel cultuurgrond.
Appellant heeft geen indicatie gegeven waaruit volgt dat geïntimeerden naast de al overgelegde stukken nog over andere informatie beschikt/beschikken die voor appellant relevant is voor het doel waarvoor hij deze verlangt.
Het hof gaat er dan ook uit dat geïntimeerden alle informatie die zij beschikbaar hadden al hebben verstrekt.
Gelet hierop is dus niet aannemelijk dat zij meer stukken kunnen overleggen dan zij al hebben gedaan en is de vordering wat betreft de onder a tot en met e genoemde stukken/informatie niet toewijsbaar.
De vordering stuit wat betreft de onder f gevraagde stukken (agenda’s van erflater over de jaren 1985 tot en met 2017) al af op het ontbreken van rechtmatig belang.
Appellant licht niet, althans onvoldoende toe in hoeverre deze agenda’s relevant kunnen zijn voor zijn rechtspositie in dit hoger beroep.
De enkele interesse in een stuk of het enkele vermoeden dat de opgevraagde stukken mogelijk in de procedure van pas kunnen komen zijn niet voldoende voor het aannemen van een rechtmatig belang.
Daar komt bij dat geïntimeerde betwisten beschikking te hebben over agenda’s van erflater.
Appellant licht ook hier niet nader toe op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat er (nog) agenda’s van erflater over de betreffende periode zouden moeten zijn, laat staan dat deze agenda’s in het bezit zijn van geïntimeerden.
De vordering kan evenmin worden toegewezen voor wat betreft de onder g gevraagde informatie over de trouwbijbel van appellant.
Appellant licht ook hier niet toe welk concreet belang hij heeft bij de gevraagde informatie.
Appellant noemt de trouwbijbel in ieder geval niet bij zijn opsomming van de onderdelen waaruit volgens hem de nalatenschap van erflater bestaat.
Uit het voorgaande volgt dat de vordering van appellant op grond van artikel 843a Rv geheel zal worden afgewezen.
Artikel 3:173 BW
Ten aanzien van de vordering van appellant tot hoofdelijke veroordeling van geïntimeerden tot het afleggen van rekening en verantwoording over het door hen gevoerde beheer over de goederen van de nalatenschap overweegt het hof het volgende.
Het hof stelt voorop dat de Nederlandse wet geen gesloten stelsel kent van incidentele vorderingen.
Dit betekent dat ook een incidentele vordering tot het afleggen van rekening en verantwoording kan worden aangemerkt als een incident in de zin van artikel 208 Rv.
Doorslaggevend bij de beoordeling is of appellant voldoende belang heeft bij een beslissing op zijn incidentele vordering ex artikel 3:173 BW vóórdat in de hoofdzaak een eindvonnis wordt gewezen (artikel 209 Rv in samenhang met artikel 3:303 BW).
In het geval van appellant geldt dat het benodigde belang voortvloeit uit de rechtsverhouding die deelgenoten van een eenvoudige gemeenschap zoals de nalatenschap tot elkaar hebben.
Bovendien strekt de hoofdvordering van appellant tot verdeling van de nalatenschap en gaat het afleggen van rekening en verantwoording door degene die voor de overige deelgenoten het beheer heeft gevoerd naar zijn aard aan de verdeling van de gemeenschap vooraf.
Uitgangspunt is dat deelgenoten van een eenvoudige gemeenschap zoals de nalatenschap op grond van art 3:173 BW recht hebben op rekening en verantwoording van degene onder hen die voor de overige deelgenoten beheer heeft gevoerd.
Vast staat dat partijen erfgenamen zijn van de nalatenschap.
Geïntimeerden zijn geen van beiden executeur of vereffenaar van de nalatenschap, zodat op hen niet uit die hoofde een verplichting rust tot het afleggen van rekening en verantwoording.
Niet gesteld of gebleken is dat geïntimeerde na het overlijden van erflater het beheer over de nalatenschap heeft gevoerd.
Ook op die grond is in ieder geval geïntimeerde niet gehouden tot het afleggen van rekening en verantwoording.
Appellant stelt eigenlijk alleen dat geïntimeerde feitelijk het beheer over de nalatenschap in Nederland voert.
Dit wordt door geïntimeerde nadrukkelijk bestreden.
Appellant laat na tegenover deze betwisting feiten en omstandigheden aan te voeren waaruit blijkt dat geïntimeerde ook daadwerkelijk ten aanzien van de nalatenschap beheersdaden heeft verricht.
De enkele omstandigheid dat geïntimeerde over de sleutels beschikt van de woning en toegang heeft tot de bankrekeningen acht het hof daarvoor in ieder geval onvoldoende.
Het dossier biedt evenmin voldoende aanknopingspunten voor de stelling van appellant dat geïntimeerde het beheer voert, althans heeft gevoerd over de nalatenschap.
Het hof neemt ten slotte ook in aanmerking dat, zoals hiervoor al is overwogen, ervan dient te worden uitgegaan dat alle bescheiden ten aanzien van de nalatenschap waarover geïntimeerden kunnen beschikken al in het geding zijn gebracht.
Het hof komt dan ook tot de conclusie dat appellant op dit punt niet heeft voldaan aan zijn stelplicht en dat er op dit moment geen aanleiding is om geïntimeerden te veroordelen tot het afleggen van rekening en verantwoording.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het afleggen van rekening en verantwoording in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.
Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.