De Rechtbank Gelderland heeft op 28 juli 2021 uitspraak gedaan over een verzoek tot ontheffing van de verplichting tot vereffening bij beneficiaire aanvaarding namens minderjarigen.

Bij testament van 1 november 2000 heeft erflater beschikt over zijn nalatenschap.

In het testament heeft erflater het wettelijk versterferfrecht van toepassing verklaard.

Verder heeft erflater de ouderlijke boedelverdeling in de zin van artikel 4:1167 van het Oud Burgerlijk Wetboek (hierna: OBW) van toepassing verklaard op zijn nalatenschap, waarbij alle zaken en rechten die tot de nalatenschap van erflater behoren aan verzoekende partij zijn toebedeeld onder de verplichting de schulden van de nalatenschap voor haar rekening te nemen.

Verzoekers verzoeken de kantonrechter op grond van artikel 4:202 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) om ontheffing van de verplichting om te vereffenen volgens de wet en te bevestigen dat daarmee de langstlevende (de verzoekende partij) alleen en zelfstandig bevoegd is over alle goederen van de nalatenschap te beschikken.

Verzoekers hebben het volgende aan hun verzoek ten grondslag gelegd.

De goederen van de nalatenschap zijn krachtens artikel 4:1167 OBW (de ouderlijke boedelverdeling) toegedeeld aan de langstlevende, doch dient de nalatenschap conform de wet te worden vereffend conform artikel 4:202 BW en zijn de erfgenamen thans samen bevoegd over de goederen van de nalatenschap te beschikken.

Omdat nimmer een verzoek tot ontheffing van de vereffening is ingediend, wenst de ouder met destijds als enige het ouderlijk gezag over beide kinderen, alsnog in te dienen.

Omdat de erfgenaam inmiddels meerderjarig is, heeft hij samen met de langstlevende dit verzoek ondertekend.

Erfrecht. Ouderlijke bedoelverdeling. Beneficiaire aanvaarding namens minderjarigen. Verzoek tot ontheffing van de verplichting tot vereffening. Verklaring voor recht. Overgangsrecht. Rente.

De rechter oordeelt als volgt.

Op grond van artikel 4:202 lid 1 sub a BW geldt als uitgangspunt dat een nalatenschap dient te worden vereffend als deze door één of meer erfgenamen onder voorrecht van boedelbeschrijving is aanvaard.

Ten tijde van het passeren van het testament van erflater bestond nog niet de uitzondering op de verplichting tot vereffening, zoals deze wel in artikel 4:202 lid 3 BW is opgenomen in het kader van de wettelijke verdeling.

Op grond van artikel 4:202 lid 2 BW kan de wettelijk vertegenwoordiger van een erfgenaam die voor deze beneficiair aanvaard heeft, de kantonrechter verzoeken om ontheffing van de verplichting te vereffenen volgens de wet, indien het saldo van de nalatenschap positief is.

Gelet op de overgelegde boedelbeschrijving van de nalatenschap van erflater, alsmede de verklaring van zuivere aanvaarding met ruimschootsverklaring van de verzoekende partij, gaat de kantonrechter ervan uit dat het saldo van de nalatenschap van erflater positief is.

Gesteld noch gebleken is dat naast de wettelijk vertegenwoordiger van de erfgenamen, andere, meerderjarige erfgenamen, de nalatenschap beneficiair hebben aanvaard.

Daarom zal het verzoek tot opheffing van de verplichting te vereffenen worden toegewezen.

Het verzoek te bevestigen dat de verzoekende partij door de opheffing van de wettelijke vereffening alleen en zelfstandig bevoegd is over alle goederen van de nalatenschap te beschikken, betreft een verklaring voor recht in de zin van artikel 3:302 BW.

Een dergelijke verklaring voor recht is een vordering en dient in beginsel bij dagvaarding te worden ingeleid.

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (Hoge Raad 31 maart 2000, HR:2000:AA5319) kan een verklaring voor recht echter ook in een verzoekschriftprocedure worden uitgesproken, mits deze verklaring gebaseerd is op (de aard en de strekking van) een wetsbepaling en de gevraagde verklaring binnen de grenzen van de genoemde wetsbepaling blijft en zich beperkt tot de vaststelling van de rechtsverhouding in geschil.

De kantonrechter is van oordeel dat de gevraagde verklaring voor recht in het onderhavige geval past binnen de grenzen van de vaststelling van de rechtsverhouding tussen partijen in het kader van het verzoek tot opheffing van de verplichting tot wettelijke vereffening.

Zonder de gevraagde verklaring voor recht blijven partijen immers in het ongewisse over de onderlinge rechtsverhouding ten aanzien van de beschikkingsbevoegdheid over de goederen van de nalatenschap van erflater.

Artikel 129 lid 3 van de Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek bepaalt dat in het geval van de ouderlijke boedelverdeling artikel 3:186 lid 1 BW niet van toepassing is.

Voor de totstandkoming van de ouderlijke boedelverdeling is daarom geen levering vereist.

Verzoekende partij is daardoor van rechtswege eigenaar geworden van de goederen en rechten uit de nalatenschap van erflater, onder de voorwaarden zoals erflater in zijn testament heeft weergegeven en als zodanig in beginsel zelfstandig beschikkingsbevoegd.

Indien echter sprake is van wettelijke vereffening zijn alle erfgenamen gezamenlijk vereffenaar op grond van artikel 4:195 BW en aldus tezamen beschikkingsbevoegd op grond van artikel 4:198 BW.

Aangezien bij deze beschikking de ontheffing van de wettelijke vereffening zal worden uitgesproken, is daarmee ook de (tijdelijke) gezamenlijke beschikkingsbevoegdheid van de erfgenamen beëindigd.

De verzoekende partij wordt daardoor zelfstandig bevoegd om over alle goederen van de nalatenschap van erflater te beschikken.

De kantonrechter merkt ten overvloede nog het volgende op.

De ontheffing van de verplichting tot vereffening van de nalatenschap van erflater laat onverlet dat de vorderingen van de erfgenamen op verzoekende partij zoals omschreven, dienen te worden vastgesteld per de overlijdensdatum van erflater.

Deze vorderingen worden opeisbaar ingeval één van de situaties zoals erflater in zijn testament heeft opgenomen, zich voordoet.

De verzoekende partij is en blijft bovendien rente over de hoofdsom (de afzonderlijke erfdelen van de erfgenamen) verschuldigd aan de erfgenamen, gelijk aan de wettelijke rente, vanaf de overlijdensdatum van erflater.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over een ouderlijke boedelverdeling, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.