De Rechtbank Rotterdam heeft op 21 juli 2021 uitspraak gedaan over de vraag of door een erfgenaam medewerking moest worden verleend aan de levering en verkoop van een onroerende zaak op vordering van de vereffenaar in een nalatenschap.

Erflaatster had bij testament van 13 januari 1989 over haar nalatenschap beschikt.

Uit het testament volgt dat erflater, persoon A en gedaagde tot haar nalatenschap zijn geroepen.

In dit testament is bepaald dat aan erflater alle goederen van de nalatenschap zijn gelegateerd en dat aan persoon A en gedaagde beiden een vordering toekomt ter grootte van hun erfdeel.

In dit kort geding moet worden beoordeeld of gedaagde moet meewerken aan de verkoop en levering van de woning aan de kopers.

Kort geding. Medewerking levering en verkoop onroerende zaak op vordering van de vereffenaar in nalatenschap van vader tegen erfgenaam in nalatenschap van moeder.

De rechter oordeelt als volgt.

Bij de verkoop van de woning is de vereffenaar ervan uitgegaan dat zij bevoegd was om de woning te verkopen en te leveren.

De beoogd transporterend notaris gaat daar overigens ook van uit, blijkens de door gedaagde overgelegde stukken.

Voor zover het de nalatenschap van erflater betreft, staat de bevoegdheid tussen partijen terecht niet ter discussie.

Vast staat evenwel dat het aandeel in de woning van erflaatster niet in juridische zin geleverd is aan erflater.

Mogelijk hebben de vereffenaar en de beoogd transporterend notaris dit over het hoofd gezien.

Mogelijk hebben zij – in ieder geval aanvankelijk – het standpunt ingenomen dat de erfgenamen van erflaatster conform de conceptakte van 3 september 2019 wel een verdeling waren overeengekomen, waarbij de juridische levering van de woning in de zin van artikel 3:186 in verbinding met 3:89 BW alsnog diende plaats te vinden.

De rente-overeenkomst die gedaagde volgens zijn verklaring wel heeft ondertekend vormt een aanwijzing voor de aanname dat de erfgenamen van erflaatster destijds zijn overeengekomen dat de woning (en de andere vermogensbestanddelen uit de nalatenschap) overeenkomst het blijkbaar in haar testament opgenomen legaat aan erflater werden toebedeeld.

Die rente-overeenkomst is kennelijk verbonden aan de hiervoor bedoelde (geld)vordering op erflater ter grootte van het erfdeel in de nalatenschap van erflaatster.

Zonder de toedeling van woning aan erflater, zou de vordering uit onderbedeling immers niet bestaan.

Overigens is in dit kort geding niet duidelijk geworden waarom gedaagde, anders dan persoon A, de conceptakte van 3 september 2019 niet (alsnog) heeft getekend.

Indien ervan wordt uitgegaan dat de nalatenschap van erflaatster reeds is verdeeld, is gedaagde verplicht om mee te werken aan de juridische levering van de woning aan erflater.

In het verlengde daarvan kan hij dan nu worden verplicht om mee te werken aan de levering van de woning aan kopers.

Voor zover de vereffenaar niet langer het standpunt inneemt dat de nalatenschap van erflaatster reeds is verdeeld, kan de woning alleen aan de kopers worden geleverd indien gedaagde medewerking verleent aan die levering en hij ook alsnog partij wordt bij de koopovereenkomst.

Dit laatste lijkt in dit kort geding aan de orde nu de vereffenaar zich op het standpunt stelt dat persoon A en gedaagde beiden gerechtigd zijn tot een onverdeeld aandeel in de onverdeelde helft van de woning uit de nalatenschap van erflaatster.

Indien ervan wordt uitgegaan dat de verdeling reeds heeft plaatsgevonden, is gedaagde zonder meer tot medewerking aan de levering aan de kopers verplicht.

De voorzieningenrechter kan aan de hand van het dossier – waarin het testament van erflaatster ontbreekt – evenwel niet met zekerheid vaststellen of de verdeling van de nalatenschap van erflaatster reeds heeft plaatsgevonden.

Daarom zal de voorzieningenrechter beoordelen of gedaagde verplicht is om mee te werken aan de verkoop en levering van de woning, voor het geval ervan moet worden uitgegaan dat de nalatenschap van erflaatster niet al is verdeeld.

De voorzieningenrechter begrijpt het verweer van gedaagde aldus dat hij op zichzelf geen bezwaar heeft tegen de verkoop, maar dat hij niet zonder meer medewerking wenst te verlenen voor zover het de nalatenschap van zijn moeder betreft, omdat hij niet bij die verkoop betrokken is geweest.

Hij heeft in dit verband gesteld dat zijn instemming met de verkoop aan kopers enkel ziet op de afwikkeling van de vereffening, maar hij heeft geen bezwaren gemaakt tegen de koopprijs en/of de leveringstermijn.

Gedaagde heeft verklaard dat hij mogelijk bezwaren ziet voor het geval de woning op rotte palen mocht staan en dat de vereffenaar boetebedingen heeft opgenomen zonder overleg.

Deze bezwaren zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende zwaarwegend, aangezien de koopovereenkomst standaardbepalingen, zoals een gebruikelijk boetebeding, bevat.

Bovendien zijn daarin ook een ouderdomsclausule – waarin onder meer staat dat verkoper niet instaat voor fundering – en een niet-gebruik beding opgenomen.

De overige bezwaren van gedaagde zien op de betaling van de koopsom en op de vermelding in de conceptleveringsakte dat erflater ten tijde van de verkrijging van de woning gehuwd was.

Naar aanleiding van deze bezwaren heeft de vereffenaar bij monde van haar advocaat toegezegd dat zij de vermelding met betrekking tot de huwelijkse staat van erflater zal laten wijzigen en dat zij bereid is de koopsom te laten overmaken op haar kwaliteitsrekening.

Nu de bezwaren van gedaagde deels onvoldoende zwaarwegend zijn en deels worden weggenomen door de toegezegde aanpassingen, welke toezeggingen in dit vonnis zijn neergelegd, is de vordering tot medewerking aan de verkoop en levering toewijsbaar.

Aangezien de kopers de contractuele boete reeds hebben aangezegd en de in dat kader gestelde termijn op het punt staat te verlopen, is het voor de vereffening van de nalatenschap van erflater van belang dat de woning op zo kort mogelijke termijn aan kopers wordt geleverd.

Dit is ook in het belang van gedaagde, in zijn hoedanigheid van erfgenaam.

Omwille van de spoed wordt gedaagde gedurende vier uur na betekening van dit vonnis in de gelegenheid gesteld zijn medewerking te verlenen aan de levering en zo nodig verkoop van de woning.

Voor het geval gedaagde deze medewerking niet verleent, wordt bepaald dat dit vonnis zo nodig van die medewerking in de plaats treedt.

Dit is het mindere van de gevorderde machtiging.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn de voor die machtiging vereiste gewichtige redenen op dit moment niet aanwezig.

Voor oplegging van een dwangsom ziet de voorzieningenrechter in de gegeven omstandigheden geen aanleiding.

Indien de woning niet aan de kopers kan worden geleverd, is een nieuwe procedure aangewezen.

In de omstandigheid dat de vereffenaar kennelijk pas kort voor de levering het standpunt heeft ingenomen dat gedaagde medewerking moet verlenen aan die levering, in het feit dat op korte termijn is gedagvaard, en in de gedeeltelijke afwijzing van het gevorderde ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat ieder van partijen de eigen proceskosten draagt.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over onroerend goed in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.