De Rechtbank Rotterdam heeft op 12 mei 2021 uitspraak gedaan over de vraag of een krachtens buitenlands erfrecht zonder uitsluitingsclausule verkregen erfrechtelijke verkrijging in een Nederlandse gemeenschap van goederen viel.
Tussen partijen staat vast dat de man, die de Spaanse nationaliteit heeft, in 2005 tijdens het huwelijk van partijen een bedrag van bijna € 90.000,- uit de nalatenschap van zijn vader heeft ontvangen en dat de nalatenschap van de vader wordt beheerst door het Spaanse erfrecht.
De man stelt dat hij een bedrag van € 88.259,13 heeft ontvangen.
Eerst tijdens de mondelinge behandeling stelt de vrouw dat vanwege kosten een lager bedrag is ontvangen.
Omdat de vrouw de omvang van die kosten niet heeft onderbouwd, gaat de rechtbank uit van het bedrag van € 88.259,13.
In geschil is of het bedrag uit de nalatenschap deel uitmaakt van de ontbonden huwelijksgemeenschap van partijen.
Erfrecht. IPR. Valt een krachtens buitenlands erfrecht zonder uitsluitingsclausule verkregen erfrechtelijke verkrijging in de Nederlandse gemeenschap van goederen? Redelijkheid en billijkheid.
De rechter oordeelt als volgt.
In de uitspraak van 17 februari 2017 (HR:2017:276) heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over de vraag in hoeverre een krachtens buitenlands erfrecht zonder uitsluitingsclausule verkregen erfrechtelijke verkrijging in de Nederlandse gemeenschap van goederen valt.
Onderzocht moet worden of sprake is van omstandigheden die de conclusie kunnen dragen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, gelet op de omstandigheid dat op de erfrechtelijke verkrijging Spaans recht van toepassing is dat op het punt van het huwelijksvermogensrecht anders luidt dan het Nederlandse recht, dat die verkrijging tot de huwelijksgemeenschap van partijen behoort.
Bij het beantwoorden van deze vraag zijn volgens de Hoge Raad de volgende elementen van belang:
(i) of de buitenlandse erflater bedacht kon zijn geweest op de toepasselijkheid van Nederlands huwelijksvermogensrecht en de gevolgen daarvan en
(ii) of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de buitenlandse erflater niet heeft gewenst dat die zaken door huwelijk zouden komen te vallen in een gemeenschap van goederen waarin de verkrijger is gehuwd of gaat huwen.
(iii) Voorts kan van belang zijn of de echtgenoot die vóór het huwelijk krachtens erfrecht naar buitenlands recht goederen heeft verkregen, redelijkerwijs in staat is geweest door het opmaken van huwelijkse voorwaarden te zorgen dat die goederen overeenkomstig de (veronderstelde) wil van de erflater niet door boedelmenging in een huwelijksgemeenschap vallen.
Op de echtgenoot die zich op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid beroept, rust de stelplicht en bewijslast van de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.
De enkele omstandigheid dat het op de erfrechtelijke verkrijging toepasselijke buitenlandse recht niet een algehele gemeenschap van goederen als huwelijksvermogensregime kent of tot uitgangspunt neemt, volstaat in dat verband niet.
Vaststaat dat de vader van de man is overleden na het sluiten van het huwelijk van partijen en de man dus zijn erfgenaam is geworden tijdens het huwelijk van partijen.
In het onderhavige geval is (anders dan in de hiervoor genoemde uitspraak van de Hoge Raad) geen sprake van een erfrechtelijke verkrijging vóór het huwelijk.
Dat partijen in verband met deze erfrechtelijke verkrijging staande huwelijk hebben overwogen om huwelijkse voorwaarden te maken en dit bewust hebben nagelaten, is niet gesteld of gebleken.
De wetenschap en de bedoeling van de vader van de man zijn aspecten die als gevolg van voormelde uitspraak van de Hoge Raad in aanmerking moeten worden genomen bij het aanleggen van de toets van de redelijkheid en billijkheid.
De vader van de man had de Spaanse nationaliteit en hij woonde in Spanje toen hij naar Spaans recht trouwde met de Nederlandse moeder van de man.
Tussen de ouders van de man was sprake van een gescheiden huwelijksvermogen.
De ouders van de man hebben in Nederland gewoond.
De ouders van de man zijn in 1990 naar Spaans recht gescheiden en de vader van de man woonde vanaf de scheiding in 1990 weer in Spanje, ook tijdens het opstellen van het testament.
De vader van de man werkte tijdens het huwelijk in Nederland als expat voor een Spaanse werkgever, hij was niet ingeburgerd in Nederland en hoefde dat ook niet.
Ook blijkt uit het testament dat de vader van de man belang toekende aan het hebben van zijn geslachtsnaam en de Spaanse nationaliteit.
De nalatenschap van de vader van de man wordt beheerst door het Spaanse erfrecht.
Dat recht kent geen uitsluitingsclausule.
Gelet op deze omstandigheden onderbouwt de man voldoende dat zijn vader tijdens het opmaken van zijn testament niet op de hoogte was of redelijkerwijs behoorde te zijn van het Nederlandse huwelijksvermogensrecht en erfrecht, ook al was hij gehuwd met een vrouw met de Nederlandse nationaliteit met wie hij in Nederland heeft gewoond en geleefd.
De rechtbank volgt daarom de stelling van de man dat zijn vader in zijn testament heeft aangegeven wie zijn erfgenamen zijn, met – zoals gebruikelijk in Spanje – uitsluiting van alle anderen.
In het onderhavige geval is het in strijd met de redelijkheid en billijkheid dat de erfrechtelijke verkrijging van de man in de huwelijksgemeenschap valt.
Dit leidt tot de conclusie dat het bedrag van € 88.259,13 privévermogen van de man betreft en dat hij ter zake een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap, in die zin dat voormeld bedrag in mindering strekt op de overwaarde van de woningen.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over onroerend goed in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.
Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.