Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 3 mei 2022 uitspraak gedaan over de vraag of een vereffenaar in het geding als tussenkomende partij kon worden toegelaten.
Persoon A, appellante en geïntimeerden zijn de zes kinderen van de echtgenoot van erflaatster, die op in 2012 is overleden (hierna ‘vader’) en erflaatster, die in 2018 is overleden (hierna ‘moeder’).
Moeder heeft in haar testament van 3 februari 2018 persoon A uitgesloten van erfopvolging in haar nalatenschap en haar overige vijf dochters benoemd tot haar enig erfgenamen.
Appellante en geïntimeerden hebben op 4 juni 2018 haar nalatenschap beneficiair aanvaard.
In het incident is de vraag aan de orde of de vereffenaar in de plaats kan worden gesteld van geïntimeerde 1 en geïntimeerde 2, die door appellante in hoger beroep zijn gedagvaard.
De vereffenaar heeft in het incident als vereffenaar verzocht – indien en voor zover geprocedeerd is tegen dan wel ten behoeve van de nalatenschap: primair te bepalen of te verstaan dat de vereffenaar in rechte is verschenen om het geding als formele procespartij over te nemen en subsidiair de schorsing ingeroepen en, indien en voor zover niet geprocedeerd is tegen of ten behoeve van de nalatenschap primair de vereffenaar toe te laten als tussenkomende partij en subsidiair als voegende partij, althans zodanig te beslissen dat de vereffenaar in de gelegenheid wordt gesteld zijn wettelijke taken uit te voeren en de belangen van de schuldeisers adequaat te behartigen.
Erfrecht. Procesrecht. Tussenkomst. Voeging. Vereffenaar als tussenkomende partij. Processueel ondeelbare rechtsverhouding. Oproeping.
Het rechter overweegt als volgt.
Appellante en moeder waren beiden partij bij de vof-overeenkomst.
In de wet is bepaald dat met het overlijden van erflater, in dit geval moeder, de erfgenamen haar van rechtswege opvolgen in de voor overgang vatbare rechten en in haar bezit en houderschap (art. 4:182 lid 1 BW).
Dit betekent dat appellante en geïntimeerden moeder zijn opgevolgd in de verplichtingen die voor moeder als vennoot voortvloeiden uit de vof-overeenkomst.
Vanaf het moment van overlijden van moeder vloeiden voor appellante dus rechten en verplichtingen voort uit de vof-overeenkomst voor haarzelf in persoon én voor haarzelf als erfgenaam/vereffenaar voor de rechten en verplichtingen van moeder.
Appellante wil het akkerbouwbedrijf overnemen en voortzetten.
Anders dan appellante in haar conclusie van antwoord in het incident betoogt, komt het aandeel van moeder in de vof-overeenkomst haar niet rechtsreeks toe, maar valt dit aandeel in de nalatenschap van moeder.
Voor het overnemen en voortzetten van het akkerbouwbedrijf heeft appellante dus de medewerking van de andere vier erfgenamen/vereffenaars nodig, zoals zij ook vordert.
Het hof begrijpt daarom de vorderingen van appellante aldus dat zij in persoon, als (gewezen) vennoot en partij bij de vof-overeenkomst, geïntimeerden in hun hoedanigheid van erfgenamen/vereffenaars heeft gedagvaard om hen te kunnen verplichten om mee te werken aan de uitvoering van het voortzettings-/toedelingsbeding in de vof-overeenkomst (art. 15).
Appellante is zelf in de procedure betrokken en heeft ook de formele hoedanigheid van erfgenaam/vereffenaar.
Het gezag van gewijsde van een beslissing in deze procedure strekt zich dus tot alle erfgenamen/vereffenaars uit.
Het zou daarom zonder enige zin zijn te eisen dat appellante ook zichzelf als erfgenaam/vereffenaar in eerste aanleg en in hoger beroep had moeten dagvaarden (vgl. Hoge Raad, 22 april 2016, HR:2016:721).
Nu deze procedure door appellante is ingesteld tegen de erfgenamen/vereffenaars (art. 4:198 BW) en de vereffenaar tijdens de procedure in hoger beroep door de rechtbank is benoemd tot vereffenaar, treedt hij in de plaats van geïntimeerde 1 en geïntimeerde 2 als erfgenamen/vereffenaars en vertegenwoordigt hij hen bij de vervulling van zijn taak in en buiten rechte (art. 4:203 lid 2 BW en art. 4:211 lid 1 en 2 BW).
Geïntimeerde 1 en geïntimeerde 2 hebben geen bezwaren tegen het verzoek van de vereffenaar.
Volgens hen zijn in deze procedure alle erfgenamen van moeder betrokken en zien alle vorderingen, zowel die van appellante als die van hen, waaronder begrepen de door hen gevorderde schadevergoeding, op de nalatenschap van moeder en niet op geïntimeerde 1 en geïntimeerde 2 in persoon.
Het hof zal op grond van het voorgaande het primaire verzoek van de vereffenaar toewijzen.
Het hof zal de griffier gelasten om de tenaamstelling van geïntimeerde 1 en geïntimeerde 2 in het roljournaal te wijzigen zoals in het dictum van dit arrest vermeld (vgl. Hoge Raad, 7 maart 2014, HR:2014:525).
Het hof ziet gelet op de aard van de zaak aanleiding om de proceskosten in het incident te compenseren in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.
De vereffenaar heeft als vereffenaar verzocht om hem in de gelegenheid te stellen een memorie van antwoord te nemen.
Hoewel hij tijdens de zitting in hoger beroep zijn standpunten kenbaar heeft gemaakt, zal het hof hem in de gelegenheid stellen om alsnog een memorie van antwoord te nemen.
De zaak zal hiertoe worden verwezen naar de rolzitting van 31 mei 2022.
Als de vereffenaar van deze mogelijkheid gebruik maakt, dan zal appellante in de gelegenheid worden gesteld om hierop bij akte te reageren.
Anders dan appellante heeft betoogd, leidt dit in de gegeven omstandigheden niet tot een onredelijke vertraging van de procedure.
Het hof heeft hierbij betrokken dat de advocaat van geïntimeerde 1 en geïntimeerde 2 tijdens de zitting in hoger beroep onweersproken heeft toegelicht dat alles wat volgens de rechtbank aan appellante geleverd moest worden intussen aan haar is geleverd.
De vereffenaar heeft als vereffenaar tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep toegelicht dat hij de rechtbank recent heeft verzocht om te worden ontslagen als vereffenaar (art. 4:206 lid 5 BW).
Indien hij voorafgaand aan de rolzitting van 31 mei 2022 als vereffenaar is ontslagen, kan hij dat in plaats van een memorie van antwoord op die rolzitting bij akte kenbaar maken.
Appellante zal in de gelegenheid worden gesteld om hierop te reageren.
Geïntimeerde 1 en geïntimeerde 2 hebben incidenteel hoger beroep ingesteld.
Zij hebben echter nagelaten om hun memorie van grieven in incidenteel hoger beroep aan geïntimeerde 3 en geïntimeerde 4 , die niet in dit geding zijn verschenen, bij exploot aan hen kenbaar te maken, terwijl zij een beslissing willen over een processueel ondeelbare rechtsverhouding (vgl. art. 130 lid 3 Rv en Hoge Raad, 10 maart 2017, HR:2017:411).
Zoals tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep met partijen is besproken, zal het hof geïntimeerde 1 en geïntimeerde 2 in de gelegenheid stellen om hun memorie bij exploot aan geïntimeerde 3 en geïntimeerde 4 kenbaar te maken en een afschrift van deze exploten bij akte in het geding te brengen.
Deze akte is niet voor een ander doel bestemd.
De zaak zal hiertoe worden verwezen naar de rolzitting van 31 mei 2022.
Het hof heeft partijen aan het einde van de mondelinge behandeling in overweging gegeven om met elkaar overleg te voeren om te onderzoeken of er aanleiding is een regeling te treffen over de geschilpunten die hen verdeeld houden.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.
Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.