Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 21 april 2022 uitspraak gedaan over een toewijzing van een billijke vergoeding voor verrichtte arbeid ex artikel 4:36 BW.

Salaire différé ex artikel 4:36 BW. Aanspraak tijdig conform GHSHE:2021:1507?

Het hof heeft in het tussenarrest aangegeven dat reeds thans dat in de billijkheidsvergoeding het pas laat ontvangen van een vergoeding in ieder geval verdisconteerd zal worden, waarbij uiteraard ook rekening zal worden gehouden met de eigen keuze van de aanspraakmaker pas zijn aanspraak te formuleren na het overlijden van de langstlevende (vader).

Voor wettelijke rente – laat staan samengestelde rente – over de mogelijke vergoeding al lopende het leven van de langstlevende ouder/ erflater ziet het hof voorshands geen enkele aanleiding.

Dit in het bijzonder nu de vordering voortvloeiend uit het maken van de aanspraak als bedoeld in artikel 4:36 BW als zodanig immers pas opeisbaar is 6 maanden na het overlijden van erflater (artikel 4:37 lid 2 BW).

Overigens geldt – ten overvloede – ingevolge artikel 182 Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek (hierna Ow) in beginsel voor een aanspraak van vóór 1 januari 1992 dat oud recht van toepassing is (vergelijk HR 10 juni 2011, HR:2011:BP9867) zoals artikel 1286 e.v. BW -oud – dat aanzegging vereiste aan de schuldenaar – terwijl berekening van samengestelde rente niet was toegestaan (HR 26 maart 1993, HR:1993:ZC0903, zie ook artikel 1287 BW-oud).

Van enige aanzegging richting erflater is door verzoeker noch iets gesteld noch iets gebleken.

Erfrecht. Verzoek tot toewijzing van een billijke vergoeding. Salaire différé. Is de aanspraak tijdig gedaan? Oud recht. Overgangsrecht. Leeftijd. Meerderjarigheid. Rente. Inflatiecorrectie.

De rechter oordeelt als volgt.

Het hof zal eerst een aantal uitgangspunten formuleren, aan de hand waarvan het hof de onderhavige zaak verder zal beoordelen.

Deels is sprake van uitgangspunten die voortvloeien uit de wettelijke regeling (artikel 4:36 e.v. BW en andere bepalingen) en deels betreft het praktische keuzes teneinde het beoordelingsproces in goede banen te leiden.

Gezien artikel 4:36 lid 1 BW is de in deze relevante periode (geboortedatum) 1979 tot en met (hooguit) 1986.

Verzoeker is geboren in 1958 en was dus eerst meerderjarig naar het toen geldende recht (artikel 1:233 BW-oud) in 1979, op zijn 21ste verjaardag.

De aanspraak ziet immers op blijkens artikel 4:36 lid 1 BW op “arbeid gedurende zijn meerderjarigheid verricht”.

Door de wetswijziging per 1 januari 1988 (Staatsblad 1987, 333) is de relevante leeftijd verlaagd naar 18 jaar (artikel 1:233 BW).

Uit artikel V van het bij genoemde wet opgenomen overgangsrecht (“Minderjarigen, die op het tijdstip van het in werking treden van deze wet de leeftijd van 18 jaar reeds hebben bereikt, worden op genoemd tijdstip meerderjarig”) blijkt dat de wet geen terugwerkende kracht had, zodat verzoeker nog steeds pas in 1979 meerderjarig is geworden.

Dit betekent dat in ieder geval de jaren 1976 tot en met 1978 geen enkele rol vervullen bij de bepaling van de verzochte billijke vergoeding, net zomin als overigens de in die periode al dan niet genoten ‘voordelen’ door verzoeker en al dan niet (ook) door de (drie) erven verrichte werkzaamheden.
Rente en/of inflatiecorrectie?

Anders dan artikel 4:35 BW – zie immers artikel 1:406b BW-oud – kende artikel 4:36 BW geen voorloper in oud recht, dat wil zeggen het recht van vóór 1 januari 2003.


Ingevolge artikel 4:37 lid 2 BW wordt de vordering pas opeisbaar nadat zes maanden na overlijden van de erflater zijn verstreken.

Ten tijde van de gestelde en in deze relevante arbeid (1979-1986) gold voorts dat ingevolge artikel 1286 lid 3 BW-oud wettelijke rente (en in geval van uitsluitend de niet-tijdige betaling van een geldsom was dat de enig mogelijke rente, zie HR 10 april 1998, NJ 1998, 59) eerst verschuldigd was na ingebrekestelling of dagvaarding.

Ter zake is niets gesteld of gebleken voor de periode vóór overlijden van de erflater – voor zover al mogelijk ten aanzien van een eerst per 1 januari 2003 ingevoerde mogelijke aanspraak, althans vóór dat moment.
Aldus heeft het hof nader onderbouwd (en deels herhaald) hetgeen is overwogen in de betreffende overweging van de tussenbeschikking.

Gezien het voorgaande kan wettelijke rente (naar huidig recht) eerst verschuldigd zijn vanaf het moment dat op betaling van enig bedrag concreet aanspraak is gemaakt, dus in ieder geval vanaf 1 mei 2020 maar zeker niet vóór het moment van opeisbaarheid.

Ten tijde van het overlijden van de moeder van verzoeker en de (drie) erven (2008), dus tien jaar vóór het overlijden van erflater, was het formuleren van een aanspraak op grond van artikel 4:36 BW al wel mogelijk, maar heeft verzoeker daarvan om hem moverende redenen afgezien.

Dit ondanks het feit dat toen zowel de relevante periode dichter in de tijd was op dat moment – dan thans – en vooral ook erflater/vader nog leefde en dus uit eerste hand zijn licht had kunnen laten schijnen over de aanspraken van verzoeker en zijn daadwerkelijke betrokkenheid – en die van andere erven – bij het reilen en zeilen van de boerderij.

Voor zover verzoeker naast rente ook aanspraak heeft gemaakt op een ‘inflatiecorrectie’ geldt dat het gestelde “inflatie-effect” – voor zover niet al in feite schade door niet eerdere betaling van een geldsom (zie daarvoor hetgeen hierboven is opgemerkt over rente) – voorts onmiskenbaar het gevolg is van zijn eigen inactiviteit in 2008 en 2009 (gezien de vervaltermijn van artikel 4:37 lid 1 BW).

Vergoeding van inflatie naar billijkheid zonder meer, terwijl door zijn niet-handelen in 2008 en 2009 de beoordeling van zijn aanspraak als zodanig ernstig is bemoeilijkt, ligt daarom niet meteen in de rede.

Dit klemt temeer indien hierna zal worden vastgesteld dat verzoeker lopende de jaren vóór overlijden van erflater al substantiële voordelen heeft genoten ten laste van erflater (en daarmee uiteindelijk ten laste van de nalatenschap van erflater).

Overigens zal uiteindelijk het tijdsverloop wel kunnen meewegen als één van de omstandigheden die een mogelijke billijke vergoeding, althans de hoogte ervan kan beïnvloeden, maar dit zal niet puur rekenkundig (x jaar inflatie ad y% per jaar) het geval zijn.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over vergoedingen in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.