De Rechtbank Gelderland heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of verrekening mogelijk was van een verjaarde rechtsvordering op de nalatenschap.

Eisende partij stelt dat de verjaring niet in de weg staat aan haar standpunt dat de schulden van gedaagde aan vader moeten worden verrekend met het aandeel van gedaagde in de nalatenschap (artikel 6:131 BW).

Om verschillende redenen is niet voldaan aan de vereisten voor verrekening zoals neergelegd in artikel 6:127 BW.

Ten eerste wil eisende partij een schuld van gedaagde aan vader, verrekenen met een het aandeel van gedaagde in de nalatenschap.

Er is echter geen sprake van wederkerig schuldenaarschap, want gedaagde is deelgenoot van de nalatenschap en schuldenaar van een niet afdwingbare schuld.

Ten tweede mogen de schuld en de vordering niet in verschillende vermogens vallen.

Daaraan is niet voldaan omdat de nalatenschap een afgescheiden vermogen vormt.

Van verrekening kan geen sprake zijn.

Erfrecht. Verdeling van nalatenschap. Ouderlijke boedelverdeling. Geldlening. Rente. Schuld. Verjaring. Verrekening. Gedwongen toerekening? Bewijs. Terugbetaling. Executele.

De rechter oordeelt als volgt.

Eisende partij heeft ter zitting toegelicht dat zij met de verrekening tevens doelt op gedwongen schuldtoerekening (artikel 3:184 BW jo 4:228 BW).

Het standpunt van eisende partij is dat verjaring niet in de weg staat aan gedwongen toerekening.

Het debat over dit onderwerp is in de procedure nog onvoldoende uit de verf gekomen.

Eisende partij zal daarom haar stelling op dit punt nader mogen onderbouwen, waarop gedaagde een antwoordakte mag nemen.

Hoewel de schuldtoerekening in hoofdzaak ziet op de nalatenschap van vader zullen overige gedaagden omwille van de procesorde eveneens in de gelegenheid worden gesteld antwoordakte te nemen.

De rechtbank zal de zaak daartoe naar de rol verwijzen.

Aangezien de rentevorderingen genoemd nog niet verjaard zijn en het debat over gedwongen toerekening van verjaarde schulden op grond van artikel 3:184 BW en 4:228 BW nog niet beslecht is, komt de rechtbank toe aan het verweer van gedaagde dat de leningen zijn afgelost en renten zijn betaald.

De algemene stelling van gedaagde dat de geldleningen al zijn terugbetaald zijn in het licht van de gemotiveerde betwisting door eisende partij onvoldoende.

Eisende partij heeft een e-mail van de executeur d.d. 8 augustus 2019 overgelegd waaruit volgt dat een handtekening onder een andere verklaring onder druk zou zijn gezet.

Gelet daarop kan niet zonder meer van de juistheid van de verklaring van 4 september 2006 worden uitgegaan.

Het enkele feit dat gedaagde tot executeur is benoemd in het testament van vader, wil niet zeggen dat de geldleningen waren terugbetaald.

De rechtbank gaat daarom aan die stelling van gedaagde voorbij.

Daar komt bij dat eisende partij betwist dat gedaagde beschikte over de financiële middelen om de geldleningen terug te betalen, waarbij zij wijst op het feit dat gedaagde door de jaren heen verschillende keren geld heeft geleend van hun ouders.

Verder heeft gedaagde heeft geen betaalbewijzen overgelegd en ook is er nog de IB-aangifte van vader uit 2006, in het geding gebracht door eisende partij, waarin een lening van € 72.605,00 aan gedaagde staat vermeld.

Het voorgaande in aanmerking genomen zijn de stellingen van gedaagde onvoldoende om ervan uit te gaan dat gedaagde de geldleningen heeft terugbetaald.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.