Van onze advocaat kindsdeel. Het Gerechtshof Amsterdam heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over de beroepsaansprakelijkheid van een notaris. Had de notaris moeten waarschuwen voor de gevolgen van de verwerping van de erfenis?
Bij de beoordeling van de grieven stelt het hof het volgende voorop (vgl. HR 19 februari 2016, HR:2016:288, NJ 2016/295).
Een notaris dient als beroepsbeoefenaar de zorgvuldigheid te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht.
In het onderhavige geval bracht deze zorgvuldigheidsplicht mee dat de notaris zich ervan vergewiste dat X zich bewust was van de belangrijkste (civielrechtelijke) consequenties van de verwerping van de erfenis van A, en dat hij maatregelen adviseerde om X te beschermen tegen het risico dat C en B bij verwerping van de erfenis een onmiddellijk opeisbare vordering op hem zouden krijgen.
Op X rust de stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden die het oordeel kunnen dragen dat de notaris als beroepsbeoefenaar in de nakoming van zijn zorgvuldigheidsplicht is tekortgeschoten.
Van de notaris kan evenwel worden verlangd dat hij voldoende feitelijke gegevens verstrekt ter motivering van zijn betwisting van de stellingen van X, teneinde hem aanknopingspunten voor eventuele bewijslevering te verschaffen.
Voor zover de notaris geen aantekeningen bijhoudt en bewaart van hetgeen hij in het kader van zijn voorlichtingsplicht met de betrokkene heeft besproken, kan dat ertoe leiden dat hij niet aan de zojuist genoemde motiveringsplicht kan voldoen, hetgeen dan voor zijn risico komt.
Voorts dient tot uitgangspunt dat aan het oordeel van de tuchtrechter dat is gehandeld in strijd met de voor het desbetreffende beroep geldende normen en regels weliswaar niet zonder meer de gevolgtrekking kan worden verbonden dat de betrokkene ook civielrechtelijk aansprakelijk is wegens schending van een zorgvuldigheidsnorm, maar dat de (civiele) rechter, indien hij van dit oordeel afwijkt, zijn oordeel zodanig dient te motiveren dat het ook in het licht van de beoordeling door de tuchtrechter voldoende begrijpelijk is (zie onder meer HR 22 september 2017, HR:2017:2452).
Beroepsaansprakelijkheid notaris. Verwerping van een nalatenschap. Opeisbaarheid van vorderingen. Verjaring?
De rechter oordeelt als volgt.
X legt aan zijn vordering ten grondslag dat de notaris hem niet heeft voorgelicht over het feit dat de verwerping van de nalatenschap tot gevolg zou hebben dat C en B een opeisbare vordering op X zouden krijgen.
De notariskamer heeft een klacht van dezelfde strekking gegrond geacht. Daartoe heeft zij onder meer overwogen dat (i) X nooit gebruik heeft gemaakt van het keuzelegaat, (i) B ondanks haar ontevredenheid jarenlang haar aanspraken niet heeft verzilverd (iii) P ervan uitging dat de vorderingen van C en B niet opeisbaar waren.
In de onderhavige procedure heeft de notaris als verweer aangevoerd zich niet anders te kunnen voorstellen dan dat op 27 juli 2000 ook over de consequenties van verwerping is gesproken. Mede in het licht van de omstandigheid dat de notaris geen aantekeningen van het gesprek op 27 juli 2000 heeft gemaakt, is zijn verweer ter zake niet zodanig concreet en niet zodanig onderbouwd dat het hof daaruit kan afleiden dat en hoe X dan ten gevolge van de bespreking op 27 juli 2000 voldoende op de hoogte is geweest van de civielrechtelijke gevolgen van de verwerping van de nalatenschap.
Het hof neemt hierbij in aanmerking dat uit het fiscale advies van P ook niet volgt dat deze X heeft geadviseerd tot verwerping van de nalatenschap. P sluit zijn brief van 25 juli 2000 immers af met het advies de verdeling – vanwege de complexiteit van de materie – verder met de notaris te bespreken.
Dit impliceert dat P dus zelf meende dat de notaris de aangewezen persoon was om X nader voor te lichten. Onder deze omstandigheden kan dan ook niet, te minder nu X de notaris juist eerder had aangegeven ten behoeve van de bespreking over het advies van P te willen beschikken, worden aangenomen dat P al vóór zijn bezoek aan de notaris op 27 juli 2000 voldoende op de hoogte was van de gevolgen van de verwerping van de nalatenschap.
Ook al zou het zo zijn geweest dat X belang hechtte aan fiscale besparingen, dan nog had het op de weg van de notaris gelegen X te informeren over de hem ter beschikking staande mogelijkheden en daarbij aandacht te besteden aan de belangrijkste civielrechtelijke consequenties van de verschillende alternatieven en niet slechts aan de fiscale gevolgen daarvan.
Aan de verzwaarde motiveringsplicht heeft de notaris als gezegd niet voldaan. Dit brengt mee dat de notaris de stelling van X dat de notaris niet aan zijn zorgplicht heeft voldaan onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. De grief is daarom gegrond.
Om dezelfde redenen slagen ook de overige grieven, die zich richten tegen het oordeel van de rechtbank dat de notaris ook niet bij latere gelegenheden zijn zorgplicht jegens X heeft geschonden, bijvoorbeeld door ook in het kader van de akte Verdeling en levering in 2003 geen nadere afspraken omtrent de opeisbaarheid van de vorderingen te adviseren.
De omstandigheid dat de familieverhoudingen in 2003 nog goed waren doet hieraan niet af. Ook van de aan de akte Verdeling en levering voorafgaande gesprekken kan de notaris geen aantekeningen overleggen.
Bovendien heeft hij erkend dat hij niet heeft gereageerd op de (onjuiste) e-mail van P van 9 mei 2007 van P omtrent de opeisbaarheid van de vorderingen op X. Ook overigens heeft notaris zijn verweer tegen de stelling van X dat deze ook op latere momenten niet is voorgelicht en evenmin maatregelen heeft geadviseerd om X te beschermen tegen de risico’s van de verwerping, niet voldoende gemotiveerd onderbouwd. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat X ook bij die latere gelegenheden jegens X in zijn zorgplicht tekort is geschoten.
De notaris heeft nog aangevoerd dat de vorderingen van X zijn verjaard.
Daartoe stelt hij dat X in 2000, en in ieder geval in 2003 (bij het passeren van de akte van Verdeling en levering), ofwel tijdens een van de in de tussenliggende periode met de notaris gevoerde telefoongesprekken, bekend is geworden met de opeisbare vordering van B en niet pas op het moment van de beslaglegging door B in het jaar 2011.
Om diezelfde reden is er volgens de notaris sprake van rechtsverlies aan de zijde van X doordat hij niet tijdig – zoals op grond van het bepaalde in artikel 6:89 BW van hem kon worden verlangd – heeft geprotesteerd.
De notaris is daardoor – zo stelt hij – in zijn belangen geschaad. X heeft – zo maakt het hof op uit de aantekeningen ter comparitie in eerste aanleg – betwist dat hij bekend was met de opeisbaarheid van de vorderingen die zijn ontstaan door de verwerping van de nalatenschap. Naar X meent kan die wetenschap ook niet worden afgeleid uit het feit dat wel meermaals en met zoveel woorden is gesproken over ‘schulden’ en ‘overbedeling’.
Het hof overweegt dat de verjaring van een rechtsvordering tot vergoeding van schade begint op het moment waarop de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijk persoon (artikel 3:310 BW).
De notaris heeft onvoldoende gesteld om zijn stelling dat X bekend was met de opeisbaarheid van de vorderingen (en de daaruit mogelijk voor hem voortvloeiende schade) te kunnen dragen.
De enkele stelling dat er is gesproken over ‘schulden’ en ‘overbedeling’ impliceert dit niet en dat geldt evenzeer voor de stelling van de notaris dat hij ervan overtuigd was dat X wist dat hij met zijn dochters moest afrekenen: beslissend is immers of X ook wist wannéér respectievelijk onder welke omstandigheden hij dat zou moeten doen.
De notaris heeft geen voldoende concrete stellingen aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat X al voor de beslaglegging in het jaar 2011 bekend was met de opeisbaarheid van de vordering van B.
De notaris heeft ook geen daarop afgestemd bewijsaanbod gedaan. Het hof verwerpt daarom het beroep op verjaring door de notaris. Om dezelfde reden(en) wordt ook het beroep van de notaris op rechtsverlies door niet tijdig protesteren in de zin van artikel 6:89 BW verworpen.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over het kindsdeel of over de legitieme, over de beroepsaansprakelijkheid van de notaris of over de verjaring van rechtsvorderingen, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.