Van onze advocaat kindsdeel. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 28 augustus 2018 uitspraak gedaan over de vraag of het recht op rente uit een schuldigerkenning in een notariële akte van schenking verwerkt was.
Vader is in 1980 overleden zonder bij testament over zijn nalatenschap te hebben beschikt. Hij heeft moeder, geïntimeerde en dochter als zijn enige erfgenamen achtergelaten, zulks ieder voor een/derde gedeelte.
Tot de nalatenschap van vader behoorde onder meer zijn aandeel in de echtelijke woning. Als gevolg daarvan kwam aan moeder per saldo twee/derde onverdeeld aandeel van de woning toe en aan ieder van de dochters een/zesde onverdeeld aandeel.
In 1995 ontstond bij moeder de wens om te voorkomen dat zij, ingeval zij haar intrek in een bejaardenhuis zou nemen, haar eigen vermogen zou moeten opmaken en moeten afdragen aan de staat. Moeder, geïntimeerde en dochter hebben zich daarom in een gesprek op 3 maart 1995 laten informeren door een notaris.
Aangezien geïntimeerde jaar 35 jaar zou worden en zij daarna niet meer in aanmerking zou komen voor een grote vrijstelling van schenkingsrecht, heeft moeder op advies van een notaris bij notariële akte van 12 juni 1995 aan iedere dochter een bedrag van fl. 38.277,- geschonken door middel van schuldigerkenning. In deze akte staat onder meer vermeld:
“Over het schuldig erkende bedrag of het onafgeloste gedeelte daarvan is een enkelvoudige rente verschuldigd van vijf procent (5%) per jaar, ingaande heden en te voldoen in jaarlijkse termijnen bij nabetaling op de eerste januari van elk jaar, voor het eerst op een januari negentienhonderdzesennegentig over het alsdan sedert heden verstreken tijdvak.
De hoofdsom is gedurende het leven van de comparante sub 1 genoemd niet opeisbaar, behoudens ingeval de schenkster wordt opgenomen in een bejaardencentrum of verzorgingstehuis. De hoofdsom is te allen tijde wel aflosbaar.”
In afwijking van genoemde schenkingsakte heeft moeder haar beide dochters niet jaarlijks rente betaald.
Schenking. Schuldigerkenning. Recht op rente? Rechtsverwerking? Aanspraak op rente naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar?
De rechter oordeelt als volgt.
Door middel van die grief betoogt moeder dat geïntimeerde haar recht op jaarlijkse rentebetalingen zoals neergelegd in de akte van 12 juni 1995 heeft verwerkt door gedurende bijna 21 jaar geen aanspraak te maken op die rentebetalingen en door in 2014 de schenking van € 100.000,– te aanvaarden terwijl zij had moeten begrijpen dat moeder na het doen van die schenking niet langer over voldoende financiële middelen zou beschikken om de uit de akte van 12 juni 1995 voortvloeiende rentebedragen te voldoen.
Uitgangspunt bij de beoordeling van een beroep op rechtsverwerking is dat enkel tijdsverloop geen toereikende grond oplevert voor het aannemen van rechtsverwerking.
Daartoe is immers de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden vereist als gevolg waarvan hetzij bij de schuldenaar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de schuldeiser zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de positie van de schuldenaar onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard in geval de schuldeiser zijn aanspraak alsnog geldend zou maken.
Dat bij moeder door iets anders dan het enkele tijdsverloop het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat geïntimeerde haar aanspraak op rente niet meer geldend zou maken, kan naar het oordeel van het hof niet gezegd worden. Bijzondere feiten of omstandigheden die tot die conclusie leiden, zijn niet gesteld of gebleken.
Dat de positie van moeder onredelijk wordt benadeeld of verzwaard door het feit dat geïntimeerde haar aanspraak alsnog – binnen de beperkingen van de geldende verjaringstermijn – geldend maakt, is evenmin gebleken.
Moeder heeft weliswaar gesteld dat zij – nadat zij de schenkingen van 2014 heeft gedaan – niet meer over de financiële middelen beschikt om aan de rentebetalingsverplichtingen te voldoen, maar moeder heeft die stelling tegenover de dienaangaande door geïntimeerde ingenomen andersluidende stellingen onvoldoende onderbouwd.
Het hof neemt daarbij in aanmerking dat moeder niet door middel van bijvoorbeeld een belastingaangifte en belastingaanslag inzicht heeft gegeven in de omvang van haar inkomen en vermogen.
Moeder heeft voorts niet de bij de inleidende dagvaarding gebaseerde stelling van geïntimeerde betwist dat zij – moeder – in augustus 2014 beschikte over een spaarrekening van omstreeks € 40.000,.
Moeder heeft in de toelichting op de grief wel gesteld dat zij uitgaven heeft moeten doen voor “onderhoud van de woning” maar zij heeft omtrent de hoogte van die uitgaven niets gesteld of toegelicht.
Moeder heeft voorts niet de stelling van geïntimeerde betwist dat zij meerdere inkomstenbronnen heeft, te weten AOW, een ambtenarenpensioen en een weduwenpensioen. Uit de door moeder overgelegde kopie van een van haar bankafschriften blijkt dat zij in de maand maart 2018 bijschrijvingen heeft ontvangen tot een totaal van € 5.442,09, terwijl zij door een groot deel van dat afschrift niet mee te kopiëren, geen inzicht heeft gegeven in de herkomst van die bijschrijvingen.
Dit alles voert tot de slotsom dat moeder onvoldoende de stelling van geïntimeerde heeft betwist dat zij over voldoende inkomen en vermogen beschikt om de jaarlijkse rentebedragen van € 868,47 aan haar twee dochters te voldoen.
Bij deze stand van zaken acht het hof, mede gelet op het bepaalde in artikel 149 lid 1 tweede volzin Rv, geen termen aanwezig voor bewijslevering over de financiële situatie van moeder.
Daarom kan niet worden gezegd dat de positie van moeder onredelijk wordt benadeeld of verzwaard door het feit dat geïntimeerde haar aanspraak op € 868,47 per jaar alsnog geldend maakt.
Het voorgaande geldt te meer nu onzeker is of, en zo ja in welke mate, moeder in december 2014 een lager bedrag zou hebben geschonken als zij zou hebben geweten dat geïntimeerde aanspraak zou gaan maken op de jaarlijkse rentebetalingen van € 868,47.
Het hof acht bij deze stand van zaken onvoldoende aanleiding aanwezig om het beroep op rechtsverwerking te honoreren.
Door middel van de volgende grief herhaalt moeder haar door de kantonrechter verworpen betoog dat het beroep van geïntimeerde op de renteaanspraak uit de akte van 12 juni 1995 naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Moeder heeft daartoe naar de kern genomen aangevoerd:
– dat de partijen zich, toen moeder de schenkingen ten bedrage van € 100.000,– in december 2014 deed, niet hebben gerealiseerd dat moeder op grond van de akte van 12 juni 1995 nog verplicht was om jaarlijkse rentebetalingen te voldoen;
– dat, indien de partijen zich dit wel zouden hebben gerealiseerd, moeder de schenkingen van december 2014 niet of niet op dezelfde wijze zou hebben gedaan;
– dat moeder nu zij de grote schenkingen van december 2014 heeft gedaan, niet meer in staat is om aan die jaarlijkse renteverplichting te voldoen.
Op grond van artikel 6:248 lid 2 BW is een tussen partijen als gevolg van een overeenkomst geldende regel niet van toepassing, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Deze maatstaf noopt tot een terughoudende toepassing.
Geïntimeerde heeft gemotiveerd en onder verwijzing naar producties gesteld dat moeder wel degelijk in staat is om aan de jaarlijkse renteverplichting van € 868,47 voor haar twee dochters te voldoen.
Tegenover die gemotiveerde stelling heeft moeder haar andersluidende stelling onvoldoende onderbouwd. Het hof verwijst daartoe naar hetgeen hiervoor is overwogen.
In zoverre is er geen aanleiding om de aanspraak van geïntimeerde op de jaarlijkse rentebedragen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar te achten.
Ook de omstandigheid dat moeder wellicht, als zij zich zou hebben gerealiseerd dat zij de jaarlijkse rentebedragen zou moeten voldoen, in december 2014 aan elk van haar dochters een lager bedrag zou hebben geschonken dan € 100.000,–, maakt het niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat geïntimeerde in 2016 aanspraak is gaan maken op de haar volgens de akte van 12 juni 1995 toekomende rentebetalingen.
Het hof neemt daarbij in aanmerking dat onzeker is of, en zo ja in welke mate, moeder in december 2014 een lager bedrag zou hebben geschonken als zij zou hebben geweten dat geïntimeerde aanspraak zou gaan maken op de jaarlijkse rentebetalingen van € 868,47.
Hierbij is van belang dat, zoals het hof heeft geschetst, de schenkingen van 1995 geheel anders zijn vormgegeven dan de schenkingen van 2014 en dat de jaarlijkse renteverplichting van betrekkelijk geringe omvang is ten opzichte van de in 2014 geschonken bedragen, waarvan de hoogte kennelijk mede ingegeven is door de fiscale mogelijkheden van dat moment.
Om bovenstaande redenen verwerpt het hof de grief.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over het kindsdeel of over de legitieme, over de uitleg van een akte of van een testament, over een gift of een schenking of over het recht op rentevergoeding, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.