Van onze advocaat kindsdeel. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 16 oktober 2018 uitspraak gedaan over een ouderlijke boedelverdeling, de omvang van de vorderingen en de opeisbaarheid van de vorderingen.

Beide partijen hebben een berekening gemaakt van de omvang van de vorderingen van appellanten op geïntimeerde.

Ouderlijke boedelverdeling. Omvang vorderingen. Opeisbaarheid vorderingen. Zorgkosten. Interen op eigen vermogen.

De rechter oordeelt als volgt.

Partijen hanteren verschillende bedragen voor de door appellanten verschuldigde erfbelasting. Het verschil is niet groot en bedraagt € 669,26 en wordt veroorzaakt doordat geïntimeerde ervan uitgaat dat 1% van de erfbelasting voor haar rekening komt. Beide partijen delen het totale door hen aan appellanten toegerekende bedrag aan erfbelasting door twee zonder daarbij rekening te houden met de lagere vordering van appellant. In de processtukken is geen aanslag erfbelasting aangetroffen om de gebruikte bedragen te controleren. Het hof zal de berekening van de erfbelasting door geïntimeerde volgen.

Van de door het hof verlangde taxatie van de postzegelverzameling is het niet gekomen. In hun akte na tussenarrest hebben appellanten nogmaals de albums die volgens hen tot de nalatenschap behoren opgesomd en gesteld dat de albums niet zijn aangetroffen in de woning van erflater en dat zij vermoeden dat geïntimeerde de albums heeft meegenomen naar haar appartement of elders heeft ondergebracht.

Geïntimeerde betwist dat zij de postzegelverzameling onder zich heeft of heeft ondergebracht bij derden. Omdat geïntimeerde de stelling van appellanten over de postzegelverzameling gemotiveerd betwist is niet komen vast te staan dat deze albums tot de nalatenschap van erflater behoren en, zo dat wel het geval is, waar deze albums zich bevinden.

Appellanten doen geen concreet en ter zake doend aanbod hun stellingen over de postzegelverzameling en de albums te bewijzen.

Het hof gaat dan ook aan deze stellingen voorbij en oordeelt dat taxatie niet nodig dan wel niet mogelijk is. Een verhoging van de vorderingen van appellanten ten gevolge van de waardering van de postzegelverzameling is dan ook niet aan de orde.

Ter beantwoording staat nog de vraag of de vorderingen van appellanten opeisbaar zijn.

Erflater heeft in zijn testament bepaald dat deze vorderingen opeisbaar zijn indien “mijn echtgenote haar intrek neemt in een verzorgingshuis, bejaardenoord of verpleeghuis; en voor zover de niet-opeisbaarheid een succesvol beroep op een bijdrage van de overheid in de kosten van verzorging of levensonderhoud in de weg staat”.

Het hof heeft in het tussenarrest geoordeeld dat voor beantwoording van de vraag of de vorderingen van appellanten opeisbaar zijn van belang is of geïntimeerde een CIZ-indicatie heeft op grond van aanvankelijk de AWBZ en thans de Wet Langdurige Zorg (WLZ) of enige andere wettelijke regeling waarbij de eigen bijdrage mede afhankelijk wordt gesteld van het inkomen en vermogen van de verzekerde.

Het hof heeft geïntimeerde de gelegenheid gegeven deze vraag te beantwoorden en alle gegevens over te leggen die van belang kunnen zijn voor de vraag of zij een CIZ-indicatie heeft en of zij recht heeft op zorg waarvoor zij een eigen bijdrage moet betalen die mede afhankelijk is van haar inkomen of vermogen.

In haar akte heeft geïntimeerde deze vraag beantwoord en onder meer een brief overgelegd van directeur van de stichting.

Geïntimeerde heeft tot 1 januari 2015 zorg ontvangen op grond van de AWBZ. In het indicatiebesluit van het CIZ van 16 oktober 2012 is vermeld dat zij aanspraak kan maken op zorg in natura en wel voor de functies Persoonlijke Verzorging voor 7-9.9 uur per week en Verpleging voor 4-6.9 uur per week. Deze zorg werd vergoed op grond van de AWBZ.

Geïntimeerde was een eigen bijdrage verschuldigd die afhankelijk was van haar inkomen en vanaf 1 januari 2013 ook van haar vermogen. De bedragen die het CAK aan haar in rekening heeft gebracht zijn opgenomen op het overzicht facturen. De AWBZ is met ingang van 1 januari 2015 vervallen. De indicaties in functie zijn omgezet naar de Zorgverzekeringswet, waarvoor geen eigen bijdrage geldt, hooguit een eigen risico waarvan de hoogte afhankelijk is van de zorgpolis. De zorgverzekeraar, in dit geval Menzis, vergoedt de zorgkosten aan de stichting.

Geïntimeerde ontvangt verder huishoudelijke hulp op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO), die wordt uitgevoerd door thuiszorgorganisatie BTK-zorg. Zij betaalt hiervoor een inkomens- en vermogensafhankelijke eigen bijdrage aan het CAK van €166,- per maand.

Al met al is de situatie van geïntimeerde als volgt. Zij huurt een appartement van de stichting die aan haar ook zorg verleent en diensten verricht. Zij betaalt voor deze woonservice een bedrag van € 3.092,- (stand 2012). Deze kosten worden niet door de overheid op grond van de AWBZ, de WMO of de WLZ aan haar vergoed als kosten voor verblijf in een verzorgings- of verpleeghuis.

Omdat zij alles zelf betaalt, hoeft zij uiteraard daarvoor geen eigen bijdrage te betalen. Er is geen indicatiebesluit dat strekt tot opname in een verzorgings- of verpleeghuis. Wel worden de kosten van persoonlijke verzorging en verpleging door de overheid vergoed, aanvankelijk op grond van de AWBZ en vanaf 2015 op grond van de WMO en is zij daarvoor een eigen bijdrage verschuldigd.

Het hof is van oordeel dat de overeenkomst met de stichting ter zake van het wonen (huur) gepaard met het verlenen van zorg en andere diensten, weliswaar grote gelijkenis heeft met de intrek in een ‘normaal’ verzorgings- of verpleeghuis, waar naast de inwoning ook zorgen en diensten worden verleend, maar daarvan ook op een wezenlijk punt (de betaling van de kosten en de eigen bijdrage) verschilt.

Dat wezenlijke verschil is dat voor intrek (opname) in een ‘normaal’ verzorgings- of verpleeghuis een indicatiebesluit nodig is en dat de kosten daarvan door de overheid worden vergoed op grond van aanvankelijk de AWBZ en thans de WLZ en dat een eigen bijdrage is verschuldigd. Die eigen bijdrage is afhankelijk van inkomen en vermogen. Het hof legt de in geding zijnde opeisbaarheidsgrond gelet op de bedoeling van erflater zo uit dat de erflater het oog heeft gehad op zo’n ‘normaal’ verzorgings- of verpleeghuis.

In het tussenarrest van 17 oktober 2017 is overwogen dat tussen partijen vaststaat dat erflater met de opeisbaarheidsgrond die hier aan de orde is wil voorkomen dat geïntimeerde eerst moet interen op haar vermogen alvorens zij aanspraak kan maken op een bijdrage van overheidswege.

Indien geïntimeerde met een indicatiebesluit zou zijn opgenomen in een ‘normaal’ verzorgings- of verpleeghuis, zouden de kosten daarvan door de overheid zijn vergoed en zou zij een eigen bijdrage hebben moeten betalen die onder meer afhankelijk is van haar vermogen en die lager zou kunnen worden doordat zij de vorderingen van appellanten zou voldoen.

In dat geval zou aan de tweede voorwaarde van opeisbaarheid zijn voldaan (“en voor zover de niet-opeisbaarheid een succesvol beroep op een bijdrage van de overheid in de kosten van verzorging of levensonderhoud in de weg staat”.).

Maar geïntimeerde maakt geen aanspraak op een overheidsvergoeding voor de kosten van ‘intrek’ in een verzorgings- of verpleeghuis.

Er is dan ook geen sprake van een situatie waarin de niet-opeisbaarheid van de vorderingen een succesvol beroep op een overheidsbijdrage in de kosten van verzorging en levensonderhoud in de weg staat.

Dat zij geen aanspraak heeft op een overheidsvergoeding komt doordat zij niet in de situatie verkeert dat zij daarop aanspraak kan doen gelden en niet doordat de vorderingen van appellanten niet-opeisbaar zijn.

Om dezelfde reden is ook geen sprake van de situatie die erflater wilde voorkomen, te weten dat geïntimeerde eerst moet interen op haar vermogen voordat zij zo’n aanspraak op een overheidsvergoeding zou kunnen doen gelden.

Dat is voor de kosten van persoonlijke verzorging en verpleging die de overheid vergoedt, aanvankelijk op grond van de AWBZ en vanaf 2015 op grond van de WMO, niet anders.

Niet is immers komen vast te staan in hoeverre deze ten opzichte van het inkomen van geïntimeerde relatief lage eigen bijdragen (kunnen) leiden tot intering op het vermogen van geïntimeerde en het risico meebrengen dat de vorderingen van appellanten niet meer kunnen worden voldaan.

Deze vergoedingen staan bovendien ook los van de intrek in een verzorgings- of verpleeghuis en zouden ook zijn betaald, indien geïntimeerde niet in een appartement van de stichting zou hebben gewoond.

Het hof komt op grond van het bovenstaande tot het oordeel dat de vorderingen van appellanten (nog) niet opeisbaar zijn.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over het kindsdeel of over de legitieme, over de uitleg van een testament, over een ouderlijke boedelverdeling, over de behoefte aan zorg van een langstlevende of over het interen van vermogen door de langstlevende echtgenoot, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.