Van onze advocaat kindsdeel. Het Gerechtshof Den Haag heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over de verdeling van een nalatenschap door een bewindvoerder.
Artikel 3:168 lid 2 BW geeft een bewindvoerder niet de bevoegdheid de nalatenschap te verdelen. Nietige verdeling op de voet van artikel 3:185 BW.
Bij zijn door zijn overlijden onherroepelijk geworden testament van 13 november 1971 heeft erflater zijn echtgenote en zijn kinderen nagelaten als zijn erfgenamen en heeft hij zijn nalatenschap overeenkomstig het destijds van toepassing zijnde art.1167 e.v. oud BW verdeeld op grond waarvan zijn echtgenote alle goederen van de nalatenschap heeft verkregen onder de verplichting de nalatenschapsschulden voor haar rekening te nemen en hebben de kinderen een niet-opeisbare vordering ter grootte van hun erfdeel op hun moeder verkregen.
Bij overlijden van de moeder, erflaatster, zijn deze vorderingen opeisbaar geworden.
Artikel 3:168 lid 2 BW geeft een bewindvoerder niet de bevoegdheid de nalatenschap te verdelen. Gedwongen schuldtoerekening. Nietige verdeling op de voet van artikel 3:185 BW.
De rechter oordeelt als volgt.
Artikel 3: 168 lid 2 BW betreft een beheersregeling met in dit geval een onderbewindstelling, waarop ingevolge lid 5 van dit artikel bewindbepalingen van Boek 4 BW van toepassing zijn.
Noch de beheersregeling noch de onderbewindstelling brengt mee de bevoegdheid voor de beheerders/bewindvoerders om de nalatenschap van erflaatster te verdelen.
Beheer kan alleen dan beschikken omvatten als die door de normale exploitatie worden gevorderd.
Aan de bewindvoerder van artikel 3: 168 BW kan zelfs niet de bevoegdheid worden gegeven de nalatenschap te verdelen nu artikel 4:171 BW op dit bewind niet van toepassing is (artikel 3:168 lid 5 BW).
Daargelaten dat de kantonrechter dat terecht ook niet heeft gedaan, kunnen de bevoegdheden van de onderhavige bewindvoerder niet aldus worden uitgebreid dat die zelfstandig de nalatenschap zou kunnen verdelen.
Het vorenstaande brengt met zich mee dat in de onderhavige zaak de bewindvoerders niet de bevoegdheid hebben om de nalatenschap van erflaatster te verdelen.
De bewindvoerders hebben bij brief van 6 november 2012 een verslag van hun beheer van de nalatenschap van erflaatster aan de rechtbank Den Haag gezonden.
In dit verslag staat vermeld dat als eerste tranche aan de erven € 32.500,- met aftrek van de gekochte roerende goederen uit de boedel is uitgekeerd, zodat de verdeling van de roerende goederen is afgerond. Voorts staat vermeld dat niets is overgemaakt naar de broer als erfgenaam omdat zijn saldo in de nalatenschap negatief is. Daarbij wordt verwezen naar het punt in het verslag waarin staat vermeld dat de erfgenaam een schuld van € 76.518,- aan de boedel heeft.
Voorts is overgelegd een brief van mr. H., de advocaat van de bewindvoerders, van 7 maart 2013, overgelegd bij de inleidende dagvaarding. Uit deze brief blijkt dat de bewindvoerders in de maanden oktober en november 2012 (deel)betalingen aan erfgenamen hebben gedaan.
Uit voornoemde brieven blijkt dat de bewindvoerders de verdeling van de nalatenschap van erflaatster hebben voltrokken.
Door niet aan de broer als erfgenaam het bedrag van € 47.500,- uit te keren omdat hij volgens de bewindvoerders een schuld aan de nalatenschap heeft, hebben de bewindvoerders gedwongen schuldtoerekening toegepast.
Gedwongen schuldtoerekening is echter een verdelingshandeling, zoals ook blijkt uit artikel 4:228 BW.
De broer als erfgenaam heeft bij brief van 8 december 2012 op voornoemd verslag van de bewindvoerders zoals door de bewindvoerders aan de rechtbank toegezonden bij brief van 6 november 2012 gereageerd.
De erfgenaam geeft in zijn brief aan bezwaar aan te tekenen tegen het verslag omdat hij onrechtmatig wordt uitgesloten. Dat er aan mede-erven wordt uitgekeerd en niet aan hem acht hij niet correct. Hij geeft voorts aan dat hem niet bekend is dat hij een schuld aan de boedel zou hebben.
Uit het vorenstaande volgt dat de bewindvoerders onbevoegd de nalatenschap zelfstandig hebben verdeeld en de erfgenaam ten onrechte niet in de contractuele verdeling hebben betrokken.
Nu derhalve in ieder geval de broer als erfgenaam niet heeft deelgenomen aan de verdeling is er ingevolge artikel 3:195 BW sprake van een nietige verdeling.
Met de machtiging van 13 maart 2013 hadden de bewindvoerders wel kunnen procederen omtrent de door hen gestelde vordering van € 76.000,- van de nalatenschap op de broer als erfgenaam, maar niet verdelen.
Het vorenstaande in acht nemend dient het bestreden vonnis te worden vernietigd voor zover daarin de vorderingen in conventie zijn toegewezen. Deze vorderingen in conventie dienen alsnog te worden afgewezen, nu deze vorderingen hun grondslag vinden in een nietige verdeling.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een nalatenschap, over de bevoegdheden van een bewindvoerder, over het kindsdeel of over de legitieme of over gedwongen schuldtoerekening, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.