Van onze advocaat kindsdeel erfenis. De Rechtbank Gelderland heeft op 15 juni 2017 uitspraak gedaan over, en het verschil toegelicht tussen, aan de ene kant, het versterferfrecht, de wettelijke verdeling en het kindsdeel en aan de andere kant, een erfdeel in een erfenis op grond van een testament.
Aan het verzoek heeft de advocaat van de zoon het volgende ten grondslag gelegd. De geldvordering van de zoon is inmiddels opeisbaar geworden doordat de vader op enig moment is gaan samenwonen met zijn partner. De zoon verzoekt de kantonrechter op grond van artikel 4:15 lid 1 BW de omvang van de geldvordering op zijn vader vast te stellen, nu partijen ter zake niet tot overeenstemming kunnen komen.
De omvang van deze vordering komt overeen met de waarde van het erfdeel van de zoon op het tijdstip onmiddellijk na het overlijden van erflaatster (artikel 4:13 lid 3 en 4:6 BW). De vader dient derhalve ten behoeve van de vaststelling van de geldvordering de omvang van de nalatenschap van erflaatster volledig en naar waarheid inzichtelijk te maken en daartoe vooruitlopend op de in deze zaak te bepalen mondelinge behandeling in ieder geval bovengenoemde informatie en stukken in het geding te brengen.
Voor zover de vader daarmee in gebreke blijft, heeft de zoon er recht op en belang bij dat de vader daartoe wordt veroordeeld op straffe van een dwangsom alsmede dat voor recht wordt verklaard dat de vader ex artikel 3:194 lid 2 BW zijn aandeel in de nalatenschap van erflaatster heeft verbeurd, indien hij daartoe behorende goederen verzwijgt, zoekmaakt of verborgen houdt, althans voor recht te verklaren dat de vader aldus onrechtmatig jegens de zoon handelt en schadeplichtig zal zijn. De zoon heeft er verder belang bij dat de vader, na vaststelling van de geldvordering, tot betaling daarvan zal worden veroordeeld, te vermeerderen met rente zoals hierboven geformuleerd, aldus de advocaat.
De advocaat van vader voert verweer. Van zijn kant verzoekt de vader bij wijze van zelfstandig verzoek de kantonrechter de zoon niet ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken althans deze af te wijzen en de zoon te veroordelen om het conservatoir beslag dat hij heeft doen leggen op het onverdeelde aandeel van de vader in de eigendom van de woning op te heffen, althans voor recht te verklaren dat dit beslag onrechtmatig is en de zoon te veroordelen in de proceskosten.
De zoon verzoekt de kantonrechter allereerst de geldvordering op zijn vader op grond van artikel 4:15 lid 1 BW vast stellen. De vader heeft als verweer aangevoerd dat dit artikel alleen van toepassing is, indien sprake is van een wettelijke verdeling. In dit geval heeft erflaatster bij testament over haar nalatenschap beschikt, zodat geen sprake is van een wettelijke verdeling. Reeds om deze reden kan het verzoek van de zoon niet worden toegewezen.
Naar het oordeel van de kantonrechter dient de zoon niet ontvankelijk te worden verklaard in zijn verzoek om de geldvordering op zijn vader vast te stellen als bedoeld in artikel 4:15 lid 1 BW.
Het nieuwe erfrecht is op 1 januari 2003 in werking getreden. Het overgangsrecht kent ingevolge artikel 68a Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek (ONBW) als uitgangspunt onmiddellijke inwerkingtreding van de wet.
Er is één specifieke uitzondering op de regel van onmiddellijke inwerkingtreding in de overgangswet geformuleerd: artikel 126 ONBW bepaalt dat afdeling 2 van titel 3 van boek 4 BW uitsluitend van toepassing is indien de erflater na het inwerking treden van de wet is overleden. Artikel 4:15 BW valt echter onder afdeling 1 van titel 3 boek 4 BW. Onder deze omstandigheden, gelet op het uitgangspunt van onmiddellijke inwerkingtreding van het nieuwe erfrecht en de slechts specifiek op afdeling 2 gerichte uitzonderingsbepaling, heeft artikel 4:15 BW ook onmiddellijke werking en is aldus geldend recht.
Artikel 4:15 BW is echter in dit geval niet van toepassing. De bepalingen in afdeling 1, titel 3, boek 4 BW houden regels over de wettelijke verdeling in voor het geval de erflater een niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot en een of meer kinderen nalaat. In dit geval is geen wettelijke verdeling aan de orde, maar de vaststelling van de geldvordering op basis van het door erflaatster nagelaten testament. Voor een analoge toepassing van artikel 4:15 BW is, anders dan de zoon heeft aangevoerd, geen aanleiding (Hof Amsterdam 6 september 2007, GHAMS:2007:BD2297). De kantonrechter komt dan ook niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de vraag of de geldvordering van de zoon op zijn vader opeisbaar is.
Heeft u vragen over het kindsdeel in een erfenis, over een erfdeel bij de wettelijke verdeling of over een erfdeel uit een testament, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel erfenis op 020-3980150.