Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 18 augustus 2020 uitspraak gedaan over de vraag of de vóór het huwelijk gemaakte huwelijkse voorwaarden geldend waren in verband met het openvallen van een erfenis.
In eerste aanleg heeft appellante een verklaring voor recht gevorderd dat zij en erflater in 2010 zijn gehuwd in algehele gemeenschap van goederen
De eerste grieven richten zich tegen de oordelen van de rechtbank dat de stelling dat erflater en appellante in gemeenschap van goederen zijn gehuwd geen stand kan houden omdat de wil van partijen was gericht op het aangaan van de huwelijkse voorwaarden, zoals neergelegd in de notariële akte.
Erfrecht. Gemeenschap van goederen? Gelden de vóór het huwelijk gemaakte huwelijkse voorwaarden?
Het hof overweegt als volgt.
Onder huwelijkse voorwaarden (als bedoeld in artikel 1:114 BW) dient te worden verstaan iedere regeling tussen echtgenoten waarbij wordt afgeweken van de vermogensrechtelijke regels die zonder deze regeling tussen de echtgenoten zouden bestaan, of waarbij een overeengekomen afwijking ongedaan wordt gemaakt (Hoge Raad, 18 juni 2004, HR:2004:AO7004).
Huwelijkse voorwaarden kunnen zowel door aanstaande echtgenoten vóór het sluiten van het huwelijk als door echtgenoten tijdens het huwelijk worden gemaakt (artikel 1:114 BW).
Zij moeten op straffe van nietigheid bij notariële akte worden aangegaan (1:115 BW).
Uitgezonderd van dit vormvereiste zijn onder andere het echtscheidingsconvenant, houdende een regeling van de onderlinge vermogensrechtelijke betrekkingen met het oog op een door hen voorgenomen echtscheiding (Hoge Raad, 26 januari 1979, HR:1979:AC6480), en regelingen die een nadere uitwerking en concretisering vormen van een al in de huwelijkse voorwaarden vervat verrekenbeding (Hoge Raad, 30 maart 2012, HR:2012:BV3103).
Vóór het huwelijk gemaakte huwelijkse voorwaarden beginnen te werken van het tijdstip der voltrekking van het huwelijk.
Geen ander tijdstip kan daarvoor worden aangewezen (artikel 1:117 lid 2 BW).
De wet geeft geen termijn waarbinnen vóór het huwelijk gemaakte huwelijkse voorwaarden door een huwelijk moeten zijn gevolgd.
Ook hoeft voor het maken van huwelijkse voorwaarden niet sprake te zijn van een concreet voorgenomen huwelijk.
Een dergelijke eis wordt niet gesteld.
Artikel 1:114 BW spreekt weliswaar van ‘aanstaande echtgenoten’, maar nu deze woorden destijds (in artikel 194 (oud) BW) waren bedoeld om aan te geven dat staande het huwelijk geen huwelijkse voorwaarden konden worden gemaakt en tegenwoordig de mogelijkheid bestaat om huwelijkse voorwaarden zowel vóór als tijdens het huwelijk te maken, in welk verband de wetsbepaling is gewijzigd in ‘aanstaande echtgenoten en echtgenoten’, volgt uit de ontstaansgeschiedenis van deze woorden niet dat van een concreet voorgenomen huwelijk sprake moet zijn.
Denkbaar is dat huwelijkse voorwaarden hun geldigheid kunnen verliezen indien door tijdsverloop of andere omstandigheden het huwelijk dat partijen uiteindelijk aangaan niet het huwelijk is dat zij beoogden te sluiten toen zij de huwelijkse voorwaarden maakten en hun wil niet langer strookt met hetgeen zij eerder hebben afgesproken.
De stelplicht en de bewijslast van het verliezen van de geldigheid van de huwelijkse voorwaarden rust op degene die zich daarop beroept.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het huwelijksgoederenrecht in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.
Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.