Het Gerechtshof Den Haag heeft op 20 januari 2021 uitspraak gedaan over de vraag of de geldvorderingen van de kinderen opeisbaar waren bij een onderbewindstelling van de langstlevende.

Erflater heeft bij testament van 2015 beschikt over zijn nalatenschap.

In dat testament heeft hij alle eerder door hem gemaakt uiterste wilsbeschikkingen herroepen en heeft hij de langstlevende voor 1/100 en zijn drie kinderen voor het restant van zijn nalatenschap, ieder voor een gelijk deel, benoemd tot zijn erfgenamen.

Bij beschikking van 23 mei 2017 zijn de goederen van de langstlevende onder bewind gesteld van de bewindvoerster.

Vanwege dit bewind was de langstlevende niet in staat haar benoeming tot executeur in de nalatenschap van erflater te aanvaarden en is conform het testament van erflater A tot executeur benoemd, welke benoeming hij heeft aanvaard.

In hoofdstuk 5 van het testament van erflater is de langstlevende als executeur de last opgelegd in de zin van artikel 4:130 lid 2 en artikel 4:144 BW de nalatenschap te verdelen als was er een wettelijke verdeling als bedoeld in artikel 4:13 BW.

Deze last rust ook op de gezamenlijke erfgenamen.

De bewindvoerster heeft conform hoofdstuk 5 van het testament van erflater namens de langstlevende aanspraak gemaakt op de volledige eigendom van alle bestanddelen van de nalatenschap als was er een wettelijke verdeling als bedoeld in artikel 4:13 BW en heeft het afvullegaat als bedoeld in hoofdstuk 6 onder 3 in het testament aanvaard.

Erfrecht. Het testament van erflater bevat een regeling voor het geval van onderbewindstelling van de langstlevende. Zijn de geldvorderingen van de kinderen opeisbaar geworden?

De rechter oordeelt als volgt.

Erflater heeft in zijn testament bepaald:

‘Als mijn echtgenote onder curatele wordt gesteld of haar vermogen onder bewind wordt gesteld, verzoek ik aan de (kanton)rechter naar aanleiding van een daartoe strekkend gezamenlijk verzoek van de gerechtigden tot de geldvorderingen, te bepalen dat deze geldvorderingen vermeerderd met de hierna bedoelde rente opeisbaar worden, voor zover door bedoelde uitkering de verzorging van mijn echtgenote niet in gevaar komt.‘

Anders dan de kantonrechter, is het hof van oordeel dat de geciteerde regeling omtrent de opeisbaarheid van de eventuele onderbedelingsvorderingen niet strijdig is met het gesloten stelsel van artikel 4:42 lid 1 BW, omdat deze regeling deel uitmaakt van het bewind als bedoeld in artikel 4:153 e.v. BW en de nadere regeling van de bevoegdheden en verplichtingen van de bewindvoerder bij uiterste wil zoals bedoeld in art. 4:171 BW.

De dochter kan worden derhalve worden ontvangen in haar verzoek in hoger beroep. Haar eerste grief slaagt.

Wat de tweede grief betreft overweegt het hof dat, gelet op bovenvermelde bepaling uit het testament van erflater, deze grief van de dochter geen doel treft.

Immers, haar primaire verzoek vast te stellen dat de geldvorderingen van de kinderen reeds nu opeisbaar zijn als gevolg van het bewind over het vermogen van de langstlevende en doordat door bedoelde uitkering de verzorging van de langstlevende niet in gevaar komt, wordt, nog daargelaten of deze geldvorderingen in de thans nog bestaande onverdeelde staat van de nalatenschap al wel bestaan, ook in hoger beroep niet door de dochter ondersteund.

Dit brengt mee dat niet is voldaan aan de in het testament van erflater geformuleerde opeisbaarheidsregeling dat hiervoor een gezamenlijk verzoek van de gerechtigden aan de (kanton)rechter vereist is.

Het hof is van oordeel dat deze door erflater opgestelde opeisbaarheidsregeling geen verboden delegatie van testeerbevoegdheid inhoudt als bedoeld in artikel 4:42 lid 3 BW omdat de uiterste wilsbeschikking niet afhankelijk is van de wil van een derde, maar deze regeling de condities bevat waaronder de bedoelde geldvorderingen opeisbaar kunnen worden.

Het hof is voorts van oordeel dat de onderhavige beschikking van het hof niet in de plaats kan treden van de vereiste toestemming van de overige dochter ten behoeve van de indiening van een verzoek tot uitkering van de geldvorderingen in de nalatenschap van erflater, daargelaten of deze geldvorderingen als zodanig al wel bestaan.

Het hof kan de inhoud van de uiterste wilsbeschikking van erflater niet wijzigen en ziet aldus geen juridische grondslag voor het verlenen van de verzochte vervangende toestemming.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, komt het hof aan de derde grief van de dochter niet toe.

De dochter heeft na de indiening van haar beroepschrift nog andere grondslagen voor haar verzoeken aangevoerd.

Het hof gaat daaraan voorbij nu zulks in strijd is met de twee conclusieregel die inhoudt dat alle grieven in beginsel in het appelschrift geformuleerd dienen te zijn en niet later.

De aard van de onderhavige zaak brengt geen uitzondering op die regel mee

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over de opeisbaarheid van de geldvordering van de kinderen bij een ouderlijke boedelverdeling of bij de wettelijke verdeling, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.