De Rechtbank Noord-Holland heeft op 14 januari 2021 uitspraak gedaan over een verzoek tot machtiging van de rechter tot het te gelde maken van een woning uit een nalatenschap.

Op 20 oktober 2013 is de tante van eiser en gedaagde overleden.

Zij heeft eiser en gedaagde bij testament tot haar erfgenamen benoemd, onder de uitdrukkelijke wens haar boerderij niet te vervreemden binnen vijf jaar na haar overlijden.

Verder heeft erflaatster eiser als executeur aangewezen.

Eiser (de executeur) vordert dat de voorzieningenrechter eiser zal machtigen tot het te gelde maken van de woonboerderij tegen een door hem aan te wijzen makelaar geadviseerde prijs.

Erfrecht. Executeur verzoekt de rechter om machtiging tot het te gelde making van een woning. Medewerking van erfgenamen aan verkoop van onroerend goed. Verdeling?

De rechter oordeelt als volgt.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat de door eiser in dit kort geding gevorderde machtiging te gelde making en ontruiming van de woonboerderij verstrekkende gevolgen heeft.

De vorderingen van eiser komen feitelijk neer op het vaststellen van een verdeling van de tussen partijen als mede-erfgenamen bestaande gemeenschap en daarmee op het vaststellen van een rechtsverhouding tussen partijen.

Dit is in beginsel niet met het karakter van een voorlopige voorziening te verenigen.

Slechts bijzonder spoedeisende omstandigheden kunnen meebrengen dat de voorzieningenrechter (vooruitlopend op de uiteindelijke verdeling) bij wijze van ordemaatregel een voorziening treft.

Als die voorziening feitelijk een definitief karakter gaat krijgen, en dat is met verkoop van onroerende zaken al gauw het geval, dan dient het zeer onwaarschijnlijk te zijn dat die voorziening ten gevolge van een beslissing in een bodemprocedure of in hoger beroep zal moeten worden teruggedraaid.

Duidelijk is dat partijen nog niet tot overeenstemming over de verdeling zijn gekomen.

Niet gebleken is dat gedaagde op enig moment haar toestemming heeft gegeven voor verkoop van de woonboerderij volgens de wensen van eiser.

Dat wordt niet anders doordat gedaagde aanvankelijk haar medewerking heeft verleend aan het traject waarbij de bestemming van de woonboerderij zou worden gewijzigd teneinde het geheel als bouwplan te kunnen verkopen.

Uit de stukken blijkt immers dat eiser de drijvende kracht achter dit traject is, terwijl gedaagde aangegeven heeft dat zij dit wilde onderzoeken en vervolgens eiser herhaaldelijk vragen over de kosten en haalbaarheid (de meerwaarde) van het plan heeft gesteld en haar zorgen over de risico’s en kosten heeft geuit.

Naarmate de kosten steeds verder opliepen, heeft gedaagde daarover steeds indringendere e-mails gestuurd.

De voorzieningenrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat nader (feitelijk) onderzoek naar de houdbaarheid van de standpunten van beide partijen en eventuele alternatieve oplossingen voor de verdeling van de woonboerderij moet plaatsvinden, waarvoor het kort geding zich niet leent.

Dat onderzoek zal in de bodemprocedure moeten plaatsvinden.

In de bodemprocedure kan dan worden bepaald hoe de verdeling (al dan niet door verkoop van het geheel als bouwplan) dient te verlopen en welke partij welke kosten moet dragen.

Voorts wordt overwogen dat eiser op dit moment onvoldoende belang bij ontruiming van de woonboerderij op korte termijn heeft.

Voor zover gedaagde en haar partner (het aandeel van eiser in) de woonboerderij zonder instemming van eiser zouden gebruiken – hetgeen gedaagde gemotiveerd heeft betwist – is gebleken dat gedaagde herhaaldelijk aan eiser heeft medegedeeld dat hij eveneens op de boerderij kan verblijven en dat hij regelmatig op de boerderij langskomt.

Dat laatste heeft eiser niet, althans onvoldoende betwist.

Verder kan uit de stukken worden afgeleid dat gedaagde en haar partner mede zorgdragen voor het beheer en onderhoud van de woonboerderij.

Dat zij aan het uitvoeren van onderhoud door eiser in de weg zouden staan is niet gebleken.

Bovendien is niet gebleken dat eiser eerder dan in de aanloop naar deze procedure een punt heeft gemaakt van het feit dat gedaagde geen gebruiksvergoeding betaalt.

Gelet op hetgeen hiervoor is ten aanzien van de gevorderde machtiging is overwogen heeft eiser ook overigens onvoldoende belang bij ontruiming van de woonboerderij.

Tot slot is de voorzieningenrechter van oordeel dat eiser onvoldoende heeft gesteld ten aanzien van het spoedeisend belang bij de door hem gevraagde voorzieningen.

De door eiser genoemde kosten zijn reeds gemaakt en voorts heeft hij niet onderbouwd dat hij financieel niet langer in staat is om zijn aandeel in de zakelijke lasten van de woonboerderij te betalen.

Evenmin heeft eiser inzichtelijk gemaakt in hoeverre er binnen afzienbare termijn groot onderhoud aan de woonboerderij zou moeten plaatsvinden.

Derhalve valt niet in te zien dat eiser niet de kosten van de woonboerderij kan blijven dragen totdat de bodemrechter over het geschil tussen partijen heeft beslist.

Alles overziende komt de voorzieningenrechter dan ook tot de conclusie dat de vorderingen van eiser moeten worden afgewezen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het te gelde maken van onroerend goed uit een erfenis, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.