De Rechtbank Overijssel heeft op 9 maart 2021 uitspraak gedaan over een verzoek van een legataris tot opheffing van het verzorgingsvruchtgebruik van de langstlevende, dat door de erflater ten behoeve van de verzorging van de langstlevende echtgenoot in zijn testament was gevestigd.

Verzoekster is door een legaat rechthebbende geweest op de woning. De woning is verkocht. Verzoekster wil haar aandeel in de koopsom ontvangen, maar omdat dat is belast met een vruchtgebruik ten behoeve van haar vader.

Verzoekster verzoekt in de eerste plaats de opheffing van dat vruchtgebruik.

Betrokkene (vader) is getrouwd geweest met A (moeder). Uit dit huwelijk zijn verzoekster en B geboren. Moeder is in 2004 overleden.

Moeder heeft een testament opgesteld, dat op 9 februari 1988 is verleden. In dat testament heeft moeder verzoekster en B benoemd tot haar enige erfgenamen.

Moeder heeft aan vader het levenslang vruchtgebruik van haar gehele nalatenschap gelegateerd.

Daarnaast heeft moeder aan verzoekster de eigendom van het woonhuis gelegateerd, belast met voormeld recht van vruchtgebruik ten behoeve van vader.

De bewindvoerder heeft bedoelde woning verkocht. Kort voor de levering is zij erachter gekomen dat verzoekster de koopovereenkomst ook had moeten ondertekenen.

Omdat deze dat weigerde, is de bewindvoerder een kortgedingprocedure begonnen bij deze rechtbank. De voorzieningenrechter heeft op 22 januari 2020 mondeling uitspraak gedaan en
besloten dat de bewindvoerder wordt gemachtigd de woning te verkopen en te leveren.

Op 24 januari 2020 is de woning geleverd. De verkoopopbrengst van € 124.492,99 is in depot gestald bij de notaris.

De bewindvoerder heeft bij dagvaarding een procedure aanhangig gemaakt bij deze rechtbank, bij de kamer voor handelszaken, waarin zij vordert dat het in depot gehouden bedrag aan vader wordt uitgekeerd.

Het is voor verzoekster onzeker of vader het vruchtgebruik heeft gevestigd, omdat verzoekster niet bekend is met de daarvoor benodigde notariële akte.

Maar als ervan moet worden uitgegaan dat vader het vruchtgebruik heeft gevestigd, vindt verzoekster dat het inmiddels moet worden opgeheven op grond van artikel 4:33 lid 1 sub 2 van het Burgerlijk Wetboek (verzoek onder a.).

In dat artikellid is een belangenafweging voorgeschreven, en die afweging valt in het voordeel van verzoekster uit.

Daarvoor vindt verzoekster van belang dat zij noodgedwongen bij haar zoon inwoont en – op een tijdelijk uitzendbaantje na – werkloos is.

Vader daarentegen heeft – gelet op zijn gezondheid en leeftijd, wonend in een verzorgingstehuis – geen behoefte aan het vruchtgebruik op de goederen van de nalatenschap voor zijn verzorging.

Naast de opheffing van het eventueel op de nalatenschap rustende vruchtgebruik, verzoekt verzoekster een verklaring voor recht, waarin staat dat de notaris de helft van het bedrag dat hij in depot houdt, aan verzoekster uitkeert, en vader te veroordelen om zijn medewerking aan die uitkering te verlenen.

De bewindvoerder voert verweer.

Zij vindt om meerdere redenen dat verzoekster niet ontvankelijk is in haar verzoek. Als de kantonrechter het verzoek toch inhoudelijk behandelt, stelt de bewindvoerder zich op het standpunt dat het moet worden afgewezen.

Er is in dit geval geen sprake van verzorgingsvruchtgebruik, zodat de rechter niet tot een belangenafweging komt.

En zelfs al zou er een belangenafweging moeten plaatsvinden, dan geldt dat verzoekster geen zwaarwegend belang heeft aangetoond.

Daar staat tegenover dat vader wel degelijk behoefte heeft om te kunnen blijven beschikken over het vruchtgebruik dat hij over de nalatenschap van moeder heeft.

Erfrecht. Testament. Levenslang vruchtgebruik van de langstlevende. Legataris verzoekt om opheffing van het verzorgingsvruchtgebruik. Wilsrecht. Bevoegdheid rechter.

De rechter oordeelt als volgt.

De kantonrechter acht het verzoek niet-ontvankelijk voor wat betreft de verzochte opheffing van het vruchtgebruik (verzoek onder a.).

De bewindvoerder heeft gelijk in haar stelling dat deze zaak niet gaat over een wettelijk verzorgingsvruchtgebruik in de zin van titel 3, afdeling 2 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Verzoekster heeft geen belang bij de opheffing van het verzorgingsgebruik, nu dat niet is gevestigd.

De kantonrechter verklaart zich onbevoegd om van het verzoek onder b. kennis te nemen. Daarvoor is de dagvaardingsprocedure aangewezen.

De kantonrechter zal hierna haar oordeel verder toelichten.

Is er sprake van een wettelijk verzorgingsvruchtgebruik?

Verzoekster doet een beroep op wat in artikel 4:33 lid 1 BW staat.

Daarin is bepaald dat de kantonrechter het vruchtgebruik van een of meer goederen kan beëindigen op verzoek van een hoofdgerechtigde, mits daardoor een zwaarwegend belang van de verzoeker wordt gediend en in vergelijking hiermee het belang van de echtgenoot niet ernstig wordt geschaad.

Dit is geen generieke bepaling; niet ieder vruchtgebruik kan worden beëindigd als een belangenafweging in het voordeel van de hoofdgerechtigde uitvalt.

Het feit dat het gaat om een belangenafweging tussen de hoofdgerechtigde en de echtgenoot wijst daar al op.

Het artikellid moet worden gelezen in samenhang met de artikelen 4:29 en 4:30 van het BW.

Die artikelen geven een regeling voor het verzorgingsvruchtgebruik.

Verzorgingsvruchtgebruik speelt een rol als de erflater de erfrechtelijke aanspraken van de echtgenoot bij versterf heeft uitgesloten dan wel heeft beperkt.

De echtgenoot heeft dan de mogelijkheid de erfgenamen te verplichten mee te werken aan de vestiging van vruchtgebruik op de woning (artikel 4:29 BW) of op overige goederen van de nalatenschap (artikel 4:30 BW, dit voor zover de echtgenoot daaraan behoefte heeft voor zijn verzorging).

Dit verzorgingsvruchtgebruik is te beëindigen indien de verzorgingsbehoefte is gewijzigd.

Daarop ziet artikel 4:33 lid 1 BW.

Heeft vader het vruchtgebruik op de nalatenschap gevestigd?

Dat is in deze procedure niet aangetoond.

Verzoekster weet het niet en de bewindvoerder stelt weliswaar dat ervan moet worden uitgegaan, maar toont geen notariële akte.

Wat er ook van zij, vader heeft geen gebruik gemaakt van zijn wettelijk ‘recht op het wettelijk verzorgingsvruchtgebruik’, zoals hiervoor is omschreven.

Moeder heeft in haar testament het levenslang vruchtgebruik heeft van haar gehele nalatenschap gelegateerd aan vader.

Dat is een wilsrechtenvruchtgebruik dat niet volgens de regels van het erfrecht uit Boek 4 BW wordt gevestigd.

Opheffing op grond van artikel 4:33 BW is daarom niet aan de orde, zodat verzoekster geen belang heeft bij de onderhavige verzoekschriftprocedure.

Naar het oordeel van de kantonrechter hoort het debat over de vestiging en beëindiging van dit vruchtgebruik-legaat krachtens Boek 3 van het BW thuis in de procedure die de bewindvoerder al is gestart bij de handelskamer.

Verzoekster wordt daarom in zoverre niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek.

De kantonrechter is niet bevoegd om te oordelen over de uitkering van het gelddepot.

Verzoekster wil een verklaring voor recht dat de notaris gehouden is de helft van het door hem in depot gehouden bedrag aan verzoekster uit te keren.

Ook wil zij dat vader wordt veroordeeld om zijn medewerking te verlenen aan de uitkering van die helft van de koopsom.

Als het vruchtgebruik zou worden beëindigd, is vader verplicht het goed waarop het vruchtgebruik rust aan verzoekster te verstrekken.

De kantonrechter is het met de bewindvoerder eens dat een daartoe strekkende vordering niet thuishoort in een verzoekschriftprocedure bij de kantonrechter.

Daarvoor is het geldelijk belang te groot en zo’n procedure hoort bij dagvaarding te worden ingeleid.

De kantonrechter ziet af van een verwijzing van dit deel van het verzoek naar een dagvaardingsprocedure op grond van artikel 69 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Bij de handelskamer in deze rechtbank is immers al eerder tussen dezelfde partijen een geschil aanhangig over hetzelfde onderwerp.

Ten opzichte van de zaak die de bewindvoerder aanhangig heeft gemaakt bij de handelskamer, geldt het onderhavige verzoekschrift als de ‘later aangebrachte’ zaak.

Daarom zal de kantonrechter zich onbevoegd verklaren om van dit deel van het verzoek kennis te nemen.

Verzoekster en vader zijn familie van elkaar.

Het uitgangspunt van de rechter in dit soort familiekwesties is dat geen partij in de proceskosten van de ander wordt veroordeeld.

De kantonrechter ziet geen aanleiding om van dat uitgangspunt af te wijken.

Daarom zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over verzorgingsvruchtgebruik ten behoeve van de langstlevende echtgenoot, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.