Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 1 maart 2021 uitspraak gedaan over de vraag of er een conservatoir beslag op onroerend goed gelegd kon worden ter verzekering van het verhaal van een soms ineens van een pleegkind op grond van verrichtte maar onbeloonde arbeid voor de erflater.

De moeder van appellante heeft een affectieve relatie gehad met de man. Appellante heeft vanaf haar zevende totdat zij twaalf jaar oud was samen met haar moeder bij de man gewoond. Toen de relatie tussen haar moeder en de man werd beëindigd, is appellante tot haar eenentwintigste bij de man blijven wonen. In 2010 is zij weer bij de man ingetrokken toen zijn gezondheid achteruitging. In 2018 heeft de man geïntimeerde als kind erkend.

De man is in 2020 overleden. Geïntimeerde is enig erfgenaam van de man.

Appellante heeft gesteld dat zij een vordering van € 780.000,- op de nalatenschap heeft primair op grond van artikel 4:36 lid 1 BW.

Artikel 4:36 lid 1 BW bepaalt dat onder meer een pleegkind van de erflater, die in diens huishouding gedurende zijn meerderjarigheid arbeid heeft verricht zonder een voor die arbeid passende beloning te ontvangen, aanspraak kan maken op een som ineens als billijke vergoeding.

Appellante stelt dat zij gedurende een periode van circa 10 jaren de man zeker 50 uur per week intensief heeft begeleid en verzorgd en in zijn huishouden heeft gewerkt en daarvoor geen passende vergoeding heeft ontvangen. Appellante acht een vergoeding van € 30,- per uur billijk.

Subsidiair heeft zij gesteld dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking.

Appellante heeft toegelicht welke arbeid zij voor de man heeft verricht en heeft verklaringen van derden overgelegd waaruit volgt dat zij de zorg voor de man op zich had genomen.

Om haar vordering veilig te stellen, heeft appellante verzocht om conservatoir beslag te mogen leggen onder geïntimeerde als enig erfgenaam.

De woning behoort tot de nalatenschap en is inmiddels onder voorbehoud verkocht.

De woning stond en staat nog steeds te koop voor € 765.000,-.

Omdat de woning reeds is verkocht, bij appellante geen andere verhaalsobjecten bekend zijn en geïntimeerde mogelijk naar het buitenland zal vertrekken, vreest zij dat er na afloop van een procedure over haar vordering geen vermogen meer (in de nalatenschap) is waarop zij zich kan verhalen.

De voorzieningenrechter heeft bij beschikking van 24 augustus 2020 dit verzoek afgewezen en heeft daartoe overwogen dat uit de stukken onvoldoende blijkt dat appellante gedurende een periode van 10 jaar gemiddeld 50 uur per week in de huishouding van de man arbeid heeft verricht en dat zij de volledige fysieke en geestelijke begeleiding van de man op zich nam.

Appellante heeft in haar beroepschrift aangevoerd dat de voorzieningenrechter haar verzoek ten onrechte heeft afgewezen en verzoekt om haar verzoek alsnog toe te wijzen.

Erfrecht. Som ineens. Pleegkind. Arbeid. Beloning. Verhaal. Conservatoir beslag op onroerend goed.

De rechter oordeelt als volgt.

Op grond van artikel 700 juncto 725 Rv kan, indien is voldaan aan de eisen die in artikel 711 lid 1 en 2 Rv worden gesteld (voor verlof om conservatoir beslag tot verhaal van een geldvordering te leggen op roerende zaken die geen registergoed zijn of op rechten aan toonder of order), ook verlof worden verleend om beslag te leggen op een onroerende zaak.

De schuldeiser dient daarvoor aan te tonen dat er gegronde vrees voor verduistering bestaat.

Op een verzoek om verlof tot het leggen van conservatoir beslag wordt ingevolge artikel 700 lid 2 Rv beslist na summier onderzoek.

In dat kader dient het hof een belangenafweging te maken aan de hand van alle omstandigheden van het geval, waarbij het gaat om een (summiere) afweging van de wederzijdse belangen van de betrokken partijen.

Daarbij dient in aanmerking te worden genomen, zoals overwogen door de Hoge Raad in zijn arrest van 17 april 2015, dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, als een vooralsnog niet vaststaande vordering in de hoofdzaak wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering voor de door het beslag ontstane schade kan worden aangesproken.

In deze context wordt in de beoordeling betrokken in hoeverre de vordering summierlijk deugdelijk is.

Naar het oordeel van het hof heeft appellante met hetgeen zij in haar verzoek- en beroepschrift heeft aangevoerd (zoals hiervoor samengevat) voldoende onderbouwd dat zij een mogelijke vordering heeft op geïntimeerde uit hoofde van artikel 4:36 BW wegens de door haar verleende zorg aan en verrichte arbeid voor de man zonder dat zij daarvoor een passende beloning heeft ontvangen.

Daarbij is ook van belang dat uit de stellingen van appellante kan worden afgeleid dat zij een pleegkind van de man is geweest.

Onder pleegkind kan hier worden verstaan een kind dat feitelijk wordt verzorgd en opgevoed door iemand die niet het gezag over dat kind heeft.

Conform artikel 4:37 lid 1 BW heeft appellante met de brief van 21 augustus 2020 geïntimeerde als enig erfgenaam tijdig aangesproken op de som ineens die zij wenst te ontvangen.

Daarnaast is genoegzaam gebleken, dat er gegronde vrees voor verduistering is, althans dat het risico bestaat dat geen verhaal meer mogelijk is op de woning als de verkoop onder voorbehoud wordt uitgevoerd.

Appellante heeft ook voldoende onderbouwd dat zij belang heeft bij het leggen van beslag op de woning die onderdeel uitmaakt van de nalatenschap.

Bij een afweging van de nu bekende belangen acht het hof de verzochte beslaglegging dan ook gerechtvaardigd.

Als uitgangspunt voor de te begroten vordering sluit het hof aan bij de helft van de vraagprijs van de woning.

Artikel 4:37 lid 4 BW bepaalt namelijk dat de sommen ineens ten hoogste de helft van de waarde van de nalatenschap bedragen.

Onder de waarde van de nalatenschap wordt verstaan de waarde van de goederen van de nalatenschap minus de schulden zoals genoemd in artikel 4:7 lid 1 onder a t/m e BW.

Aangezien uit de stukken niet is gebleken van ander vermogen in de nalatenschap of van het bestaan van schulden, zal het hof de vordering van appellante voor het te leggen beslag bepalen op de helft van de vraagprijs van de woning op www.funda.nl, dat is € 382.500,-.

Dit bedrag wordt conform de beslagsyllabus vermeerderd met kosten, waardoor de vordering van appellante zal worden begroot op € 489.000,-.

De termijn voor het instellen van de eis in de hoofdzaak wordt bepaald conform het verzoek.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het leggen van beslag ter verhaal van een vordering uit een erfenis, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.