Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft onlangs uitspraak gedaan over de waardering van meerdere woningen uit een ouderlijke boedelverdeling.
Tot de nalatenschappen van vader en moeder behoren panden.
De volgende panden zijn door de verticale ouderlijke boedelverdeling toegedeeld aan A, B en C.
Tussen partijen is niet in geschil dat zij de onroerende zaken in onderling overleg dienen te waarderen om de omvang van de overbedelingsschulden en onderbedelingsvorderingen vast te stellen, waarbij de datum van overlijden van moeder als peildatum voor de waardering heeft te gelden (5 april 2011).
A stelt zich primair op het standpunt dat de waarde van het onroerend goed moet worden vastgesteld op grond van het taxatierapport van de makelaar van 14 april 2004, geïndexeerd naar april 2011.
Subsidiair kan de WOZ-waarde van de panden als uitgangspunt dienen en meer subsidiair stelt A zich op het standpunt dat een deskundige moet worden benoemd om tot een waardering van de panden per april 2011 te komen.
Volgens B en C kan voor de waarde van het onroerend goed worden aangesloten bij taxatierapporten van de taxateur van 30 maart 2011, die vijf dagen voor het overlijden van moeder in opdracht van A zijn gemaakt.
Voor wat betreft de panden die daarin niet zijn genoemd (woningen boven de winkelpanden te A en het pand in B) kan worden aangesloten bij de WOZ-waarden.
Omdat moeder op 5 april 2011 is overleden achten B en C het redelijk om daarbij uit te gaan van een gewogen WOZ-waarde, in die zin dat wordt uitgegaan van 270/365 van de WOZ-waarde per 1 januari 2011 plus 95/365 van de WOZ-waarde per 1 januari 2012.
Erfrecht. Ouderlijke boedelverdeling. Onenigheid tussen de erfgenamen over de verdeling. Waardering van meerdere woningen. Peildatum waarde woningen. Bewijs. Gewogen WOZ-waarde?
De rechter oordeelt als volgt.
Het hof overweegt als volgt.
Art. 4:6 BW bepaalt dat onder de waarde van de goederen der nalatenschap wordt verstaan de waarde van die goederen op het tijdstip onmiddellijk na het overlijden van de erflater.
De wet geeft niet aan welke waarde bij de verdeling van de goederen dient te worden gehanteerd.
Vast staat dat partijen de waarde van de panden per 5 april 2011 niet in onderling overleg hebben kunnen vaststellen.
Ten aanzien van de door A primair voorgestane waarderingsmaatstaf, te weten een indexatie van de bedragen uit het taxatierapport van de makelaar, geldt dat dit taxatierapport al is opgemaakt in 2004, dus zeven jaar voor het overlijden van moeder.
A heeft de daarin genoemde bedragen weliswaar geïndexeerd naar april 2011, maar B en C hebben terecht betoogd dat dit onvoldoende zegt over de staat van de panden ten tijde van het overlijden van moeder.
Volgens hen heeft A de prijsontwikkeling van alle koopwoningen in Nederland als indexeringsgrondslag gebruikt, terwijl het gaat om huurwoningen en winkelpanden in Zuid-Limburg, een krimpregio met een afwijkende waardeontwikkeling.
Het hof zal bij de waardebepaling dan ook niet uitgaan van deze waarderingsmaatstaf.
Ook de door B en C voorgestane waarderingsmaatstaf, te weten het taxatierapport van de taxateur, zal niet worden gevolgd.
A heeft terecht betoogd dat dit rapport slechts op de winkelruimtes van een aantal panden ziet en de woongedeeltes van die panden niet zijn gewaardeerd, zodat het rapport niet kan worden gebruikt voor de waardebepaling van het gehele onroerend goed.
Het hof volgt partijen in hun (subsidiaire) standpunt dat bij de berekening van de overbedelingsschulden en onderbedelingsvorderingen in hun rechtsverhouding naar redelijkheid en billijkheid dient te worden uitgegaan van de WOZ-waardes van de panden onder per 5 april 2011 (270/365 van de WOZ-waarde per 1 januari 2011 plus 95/365 van de WOZ-waarde per 1 januari 2012).
Het hof stelt vast dat partijen verschillende en bovendien niet alle WOZ-waardes noemen.
Zo gaat A bijvoorbeeld uit van bij elkaar opgetelde bedragen en is niet duidelijk welke WOZ-waarde volgens hem aan de panden toekomt.
B en C gaan slechts gedeeltelijk uit van WOZ-waarden en hebben niet alle bijbehorende WOZ-beschikkingen in het geding gebracht, maar hebben wel aangeboden om de WOZ-beschikkingen van de gehanteerde WOZ-waarden op te vragen.
Het hof draagt partijen op beiden bij akte een overzicht in het geding te brengen van de WOZ-waardes per 1 januari 2011 en 1 januari 2012.
Het hof komt niet toe aan het meer subsidiaire verzoek van A om een deskundige te benoemen.
Dat is volgens B en C ook niet opportuun.
Het hof overweegt in dit verband ten overvloede dat zij onder verwijzing naar een rapport van het bouwbureau hebben betoogd dat de actuele staat van de panden volgens hen niet gelijk is aan de staat in 2011, dat, voor zover bij hen bekend, er geen foto’s zijn van de niet getaxeerde panden per 5 april 2011 en dat diverse panden zijn verkocht en door derden onder handen zijn genomen, zodat de huidige staat niet kan worden geacht de staat per datum overlijden van moeder weer te geven, aldus B en C.
Hieruit vloeit voort dat thans niet meer is vast te stellen wat de staat van de panden per 5 april 2011 was.
Met betrekking tot de waardering van de panden draagt het hof partijen op om beiden bij akte een overzicht in het geding te brengen ten aanzien van de panden de WOZ-waardes per 1 januari 2011 en 1 januari 2012, met onderliggende stukken.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.
Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.