De Rechtbank Noord-Holland heeft op 19 oktober 2022 uitspraak gedaan over de vraag of sprake was van een schenking ter zake des doods.
Eiser heeft zich beroepen dat de schenking is vervallen.
Volgens eisers had de schenking de strekking dat zij pas na het overlijden van de A zal worden uitgevoerd.
Omdat de schenking niet bij notariële akte of codicil is vastgelegd, is de schenking vervallen (artikel 7:177 BW), aldus eiser.
Hierin geeft de rechtbank eiser geen gelijk, gelet op het navolgende.
Erfrecht. Schenking. Opeisbaarheid van de schenking. Is sprake van een schenking ter zake des doods? Is de schenking vervallen? Uitleg van schenkingsovereenkomst. Bewijs. Notariële akte.
De rechter oordeelt als volgt.
Tussen partijen staat vast dat de schenking van de aankoopsom van het horloge niet is vastgelegd in het testament of een codicil.
Dit betekent dat indien sprake is van een schenking bij dode in de zin van artikel 7:177 BW, die schenking is komen te vervallen.
Of er sprake is van een schenking bij dode zal via de regels van uitleg van overeenkomsten moeten worden vastgesteld.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende gebleken dat op 3 oktober 2020 tussen eiser en A is afgesproken dat A het horloge bij leven zou schenken aan eiser.
Dat leidt de rechtbank af uit de WhatsApp-berichten van 1 en 3 oktober 2020.
Daarin bespreken A en eiser immers dat A gaat uitrekenen hoe zij “alles bij elkaar gaat grabbelen” en dat eiser “nog wel week geduldig moet wachten op geld voor de aanbetaling”.
Vervolgens heeft eiser aan A gevraagd om “een overzichtje te sturen op welke data en hoeveel geld je mij kan geven”.
Deze afspraken wijzen er op dat de afspraak tussen partijen inhield dat met de uitvoering van de schenking vrijwel direct (binnen één week na 3 oktober 2020) door A zelf (en dus niet pas door haar executeurs) zou worden gestart.
Dit vindt naar het oordeel van de rechtbank bovendien bevestiging in het feit dat het bedrag van de aanbetaling (€ 5.000,-) op 6 oktober 2020 door A is betaald aan eiser, kennelijk in het kader van de nakoming van de schenkingsovereenkomst.
Weliswaar is als omschrijving bij die betaling vermeld “achterstallig levensonderhoud” maar uit de stellingen van beide partijen begrijpt de rechtbank dat dergelijke betalingen van A aan eiser voor levensonderhoud niet gebruikelijk waren.
Gelet op de datum van de betaling (drie dagen na het sluiten van de schenkingsovereenkomst) en de omvang van het bedrag (exact het bedrag van de door eiser voldane aanbetaling van € 5.000,-) is voldoende aangetoond dat die betaling een uitvoeringshandeling van de schenking betrof.
Daarbij heeft A bovendien in een bericht van 6 oktober 2020 geschreven: “Komt nog meer”.
Ook hierin leest de rechtbank bevestiging dat het de partijbedoeling was dat de schenking niet pas na overlijden zou worden uitgevoerd.
De stelling van gedaagde dat A heeft gezegd dat eiser moest wachten op zijn geld (tot na haar overlijden) en dat eiser desondanks op eigen risico heeft besloten het horloge alvast te kopen, wordt daarom niet gevolgd.
Gedaagde heeft6 er op gewezen dat onder andere in de telefoongesprekken van 4 en 5 oktober 2020 tussen A en eiser is besproken dat A de schenking van het horloge zou vermelden in haar testament en dat eiser het geld voor het horloge zou verkrijgen uit de nalatenschap van A, nadat de woning van A zou zijn verkocht.
De schenking aan eiser zou in mindering strekken op hetgeen de kleindochter van eiser zou krijgen uit de nalatenschap van A.
Volgens gedaagde blijkt hieruit de bedoeling van A om de schenking pas na haar overlijden te effectueren.
Ook hierin geeft de rechtbank gedaagde geen gelijk.
Uit deze mededelingen wordt duidelijk dat A kennelijk op dat moment (4 en 5 oktober 2020) heeft geconstateerd dat zij niet over voldoende liquide middelen beschikte om direct uitvoering te geven aan de afgesproken schenking en dat de uitvoering van de schenkingsovereenkomst daarom feitelijk pas kon plaatsvinden na haar overlijden.
Dat doet echter niet af aan het gegeven dat A en eiser op 3 oktober 2020 een direct opeisbare schenking zijn overeengekomen.
De omstandigheid dat de schenkingsovereenkomst niet direct door A is nagekomen, klaarblijkelijk omdat later bleek dat daarvoor onvoldoende geld beschikbaar was, brengt geen verandering in de strekking van de schenking.
Voor zover het (al bij het aangaan van de schenkingsovereenkomst) de bedoeling van A was dat de schenking pas zou worden uitgevoerd na de verkoop van haar woning, hetgeen verder in het midden kan blijven, rechtvaardigt dit niet de conclusie dat de schenking de strekking heeft om pas na het overlijden van A te worden uitgevoerd.
Eiser heeft namelijk gesteld, en gedaagde heeft niet weersproken, dat A de verkoop van haar woning al bij leven in werking had gezet, door een makelaar een verkoopopdracht te geven.
De conclusie van het voorgaande is dat de schenking buiten de reikwijdte van artikel 7:177 BW valt.
De schenking is daarom niet vervallen.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.
Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.