De Rechtbank Noord-Holland heeft onlangs uitspraak gedaan over de vaststelling en de opeisbaarheid van de geldvordering uit een ouderlijke boedelverdeling.
Partijen in deze zaak zijn een vader en zijn twee kinderen.
De kinderen hebben een geldvordering op hun vader gekregen toen hun moeder overleed.
Het gaat in deze zaak vooral om de vraag of deze geldvordering inmiddels opeisbaar is geworden en hoe hoog deze geldvordering is.
De rechtbank komt in dit vonnis tot het oordeel dat de geldvordering van de kinderen nog niet opeisbaar is.
De hoogte van de geldvordering kan de rechtbank in dit vonnis nog niet vaststellen.
De samenstelling en omvang van de onderliggende vermogensbestanddelen aan de hand waarvan de geldvordering van de kinderen berekend dient te worden, staan namelijk nog niet vast.
De rechtbank is voornemens om voor de waardering van bepaalde vermogensbestanddelen deskundigen te benoemen en daarnaast dient vader over bepaalde vermogensbestanddelen informatie te verstrekken.
Erfrecht. Ouderlijke boedelverdeling. Vaststelling van de hoogte van de geldvordering. Is de geldvordering opeisbaar? Waardering van de vermogensbestanddelen van de nalatenschap. Scheiding. Huwelijkse voorwaarden. Hertrouwen. Verrekening.
De rechter oordeelt als volgt.
De nalatenschap van erflaatster is verdeeld door middel van de ouderlijke boedelverdeling die in het testament van erflaatster is opgenomen.
Dit betekent dat alle goederen van de nalatenschap van erflaatster aan vader zijn toegedeeld onder de verplichting van vader om alle schulden van de nalatenschap te voldoen en dat de kinderen een geldvordering op vader hebben gekregen ter hoogte van het aan hen toekomende erfdeel.
De vorderingen die partijen in deze procedure hebben ingesteld hebben grotendeels tot doel de hoogte van deze geldvorderingen vast te stellen.
Daarbij is een belangrijk discussiepunt tussen partijen of deze geldvorderingen op vader opeisbaar zijn, met andere woorden: of de kinderen hun erfdeel nu al kunnen opeisen.
De rechtbank zal in dit vonnis eerst de opeisbaarheid beoordelen en daarna de omvang van de erfdelen behandelen.
Hebben de kinderen een opeisbare vordering?
De kinderen stellen dat hun erfdeel op 2 september 2016 opeisbaar is geworden door het huwelijk tussen vader en de vrouw.
Volgens de kinderen zijn vader en de vrouw namelijk in artikel 10 van hun huwelijkse voorwaarden van 26 augustus 2016 een verrekenbeding overeengekomen.
De kinderen wijzen erop dat in het testament van erflaatster het hertrouwen door vader op huwelijkse voorwaarden zonder uitsluiting van verrekenbedingen als een geval wordt genoemd waarin de geldvorderingen van de kinderen onmiddellijk opeisbaar worden.
Vader betwist gemotiveerd dat de geldvorderingen van de kinderen opeisbaar zijn geworden door zijn huwelijk met de vrouw.
Vervroegde uitbetaling van de erfdelen op grond van het testament is volgens vader niet aan de orde omdat het inmiddels geschrapte artikel 10 van de huwelijkse voorwaarden geen effect heeft gehad omdat niet aan de voorwaarde van (tenminste) tien jaar huwelijk met de vrouw is voldaan.
Daarnaast betoogt vader dat artikel 10 geen verrekenbeding inhoudt.
De rechtbank is van oordeel dat de geldvorderingen van de kinderen nog niet opeisbaar zijn.
Volgens de hoofdregel in het testament (artikel D.3.) worden de erfdelen van de kinderen pas opeisbaar bij het overlijden van vader.
De uitzondering van artikel D.3. sub c van het testament, op grond waarvan de erfdelen eerder opeisbaar worden en waarop de kinderen zich hebben beroepen, is niet van toepassing.
De rechtbank legt hierna uit waarom.
In artikel D.3. sub c van het testament is bepaald dat de geldvorderingen van de kinderen onmiddellijk opeisbaar worden als vader hertrouwt zonder het maken en handhaven van huwelijkse voorwaarden “inhoudende de uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen en van verrekenbedingen, met uitzondering van die ten aanzien van onverteerde inkomsten”.
Vader en de vrouw zijn echter met elkaar getrouwd buiten iedere gemeenschap goederen (artikel 1 van de huwelijkse voorwaarden), terwijl met artikel 10 van de huwelijkse voorwaarden van 26 augustus 2016 geen verrekenbeding tot stand is gekomen.
Artikel 10 bepaalt kort gezegd dat vader € 200.000,- aan de vrouw zal uitkeren als zij scheiden nadat het huwelijk tenminste tien jaar heeft geduurd.
Daargelaten dat dit artikel is geschrapt ruim voordat de termijn van tien jaar was verstreken (en het dus geen enkel effect heeft gesorteerd), bevat artikel 10 geen tussen vader en de vrouw gemaakte afspraak om inkomen en/of vermogen met elkaar te verrekenen.
Een dergelijke verrekeningsafspraak is niet in artikel 10 te lezen.
Dat artikel 10 wel als een verrekeningsafspraak is bedoeld, hebben de kinderen onvoldoende gemotiveerd gesteld.
Voor de vorderingen in deze zaak betekent dit dat de gevorderde uitbetaling van de erfdelen niet toewijsbaar is.
De vorderingen van de kinderen zal de rechtbank in het eindvonnis afwijzen.
Omdat vader naar de kinderen toe op dit moment geen betalingsverplichting heeft, dient het door de kinderen ten laste van vader gelegde beslag te worden opgeheven.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.
Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.