De Rechtbank Gelderland heeft op 3 november 2021 uitspraak gedaan over de vraag of bij een beding in een samenlevingsovereenkomst sprake was van een quasi-legaat.
Eisers zijn de kinderen van de in 2020 overleden erflater.
Erflater is gescheiden van de moeder van eisers en was ten tijde van zijn overlijden geregistreerd partner van gedaagde.
Centraal staat de vraag of het alsof-verrekenbeding moet worden beschouwd als een quasi-legaat in de zin van artikel 4:126 lid 1 en 2 onder a dan wel c BW of niet en daarmee of de uitvoering resulteert in een schuld in de zin van artikel 4:7 lid 1 onder a dan wel i BW.
Erfrecht. Quasi erfrecht. Wanneer is er sprake van een quasi-legaat? Is een verrekenbeding in partnerschapsvoorwaarden een quasi-legaat? Toetsing.
De rechter oordeelt als volgt.
Een verrekenbeding is geen verblijvings- of overnemingsbeding.
Uit de toelichtingen op de wet volgt dat de wetgever bedoeld heeft om verblijvings- en overnemingsbedingen in samenlevingsovereenkomsten onder het artikel te laten vallen en daarbij heeft aangetekend dat de regeling de bescherming van de schuldeisers beoogt.
Onder deze schuldeisers zijn ook de legitimarissen.
De verblijvings- en overnemingsbedingen vervullen een rol van quasi-erfrecht.
Er is in zekere zin sprake van “een legaat” indien er geen redelijke tegenprestatie tegenover staat.
Nu het verrekenbeding geen verblijvings- of overnemingsbeding is, is het van belang te duiden wat het verrekenbeding inhoudt.
Naar oordeel van de rechtbank is het een verplichting die leidt tot een voorwaardelijk vorderingsrecht dat de partners over en weer toekennen.
De verplichting tot verrekening en de uitvoering daarvan leidt namelijk onder onbepaalde maar zekere tijdsvoorwaarde – de dood van één der partijen – en voorts voorwaardelijk op de hoogte van het eigen vermogen tot een vordering van de één op de ander, waarbij de minst vermogende de aanspraak verkrijgt.
Men gaat hiermee derhalve een beding aan waarbij men een voorwaardelijk vorderingsrecht verstrekt bij dode.
Indien men dit afzet tegen de wettelijke definitie van “legaat” zoals in artikel 4:117 lid 1 BW, – een uiterste wilsbeschikking waarin de erflater aan een of meer personen een vorderingsrecht toekent, – dan brengt dit met zich dat het alsof-verrekenbeding voor erfrechtelijke toepassing moet worden beschouwd als een alsof-legaat.
De rechtbank stelt hier eveneens vast dat door de contractuele aard van het beding geen sprake is van een gift, zodat artikel 4:126 lid 1 BW toepassing mist.
De rechtbank is in het licht van bovenstaand van oordeel dat deze vordering die gedaagde heeft door toepassing van het alsof-verrekenbeding moet worden aangemerkt als quasi-legaat in de zin van artikel 4:126 lid 2 onder a.
Hierbij komt dat artikel 4:126 lid 2 onder a een vijftal elementen noodzakelijk stelt voor haar toepassing.
Dit zijn:
1) er moet sprake zijn van een beding,
2) waarbij een goed overgaat of over kan gaan,
3) onder opschortende voorwaarde of onder een tijdsbepaling en
4) toepassing bij overlijden van degene aan wie het goed toebehoort
5) zonder redelijke tegenprestatie.
Ter zitting is besproken en vastgesteld dat het alsof-verrekenbeding aan vier van bovengenoemde elementen voldoet; het is een beding: een overeenkomst tussen gedaagde en erflater, onder opschortende voorwaarde van overlijden, dat wordt toegepast bij overlijden van degene aan wie het goed behoort en er is geen redelijke tegenprestatie.
Partijen zijn niet in confesso of er een goed overgaat of kan gaan.
Hierbij heeft gedaagde aangevoerd dat er slechts een schuld ontstaat in de nalatenschap van erflater.
Met eisers is de rechtbank van oordeel dat dit element niet alleen ziet op het overgaan van goederen (alle zaken en alle vermogensrechten in de zin van artikel 3:1 BW) maar ook op schulden die ontstaan.
Dit oordeel is ingegeven door de bedoeling van de wetgever bij artikel 4:126 BW, zoals hierboven reeds toegelicht.
In de passage uit de Memorie van Toelichting volgt dat de regeling bescherming dient te bieden aan schuldeisers, legitimarissen en somgerechtigden wier vorderingen de wet laat voorgaan boven die welke bij uiterste wil in de vorm van legaat kunnen ontstaan.
In deze beschermingsgedachte ligt besloten dat niet alleen het daadwerkelijk verlaten van het vermogen van erflater van goederen onder vigeur van 4:126 BW valt maar ook het ontstaan van schulden in die nalatenschap door toepassing van een beding dat voor het overige voldoet aan de hierboven genoemde vereisten.
De door toepassing van het beding gevormde “extra” schuld benadeelt immers genoemde schuldeisers.
Voornoemde interpretatie strookt overigens ook met de ter zitting besproken spiegelbeeldige situatie waarin niet gedaagde maar erflater de minst vermogende zou zijn geweest.
In dat geval was er een vordering ontstaan in de nalatenschap van erflater op gedaagde.
Met de beschermingsgedachte in het achterhoofd is geen sprake van benadeling van schuldeisers van de nalatenschap.
In de visie van gedaagde ontstaat door toepassing van het alsof-verrekenbeding óf een schuld in de zin van artikel 4:7 lid 1 onder a (die niet door de dood teniet gaat) óf een actief indien zich de spiegelbeeldige situatie voordoet.
Aan toepassing van deze redenering staat dan de schuldeisersbescherming die artikel 4:126 BW beoogt in de weg.
De gedaagde heeft voorts aangevoerd dat de bescherming van de langstlevende en de verzorgingsgedachte in de weg staan aan de kwalificatie van het alsof-verrekenbeding als quasi-legaat.
De rechtbank deelt dit standpunt niet.
De verzorgingsgedachte komt tot uitdrukking in het beding en in het testament.
Beide zijn geldig.
Toepassing van artikel 4:126 BW leidt er slechts toe dat de vordering die ontstaat niet meetelt bij het bepalen van de legitieme porties maar resulteert er niet in dat de vordering niet ontstaat en daarmee de verzorgingsgedachte doorkruist.
Wel beperkt zij mogelijk betaling daarvan.
Dit is echter het gevolg van de bewuste keuze om geen huwelijksgoederengemeenschap aan te gaan of een tussentijds verrekenbeding toe te passen maar slechts een alsof-verrekenbeding bij dode.
De financiële onafhankelijkheid die dit biedt bij leven heeft bij dode een gevolg voor de bepaling van de rechten van legitimarissen, die immers een wettelijk recht toekomt.
Voor zover dit al indruist tegen de verzorgingsgedachte is het voortgekomen uit een bewuste keuze van de partijen bij de partnerschapsovereenkomst en dienen zij daarvan dan ook de gevolgen te dragen.
De gedaagde heeft ten verwere nog aangevoerd dat de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (hierna KNB) de opvatting huldigt dat een finaal verrekenbeding in een akte van huwelijksvoorwaarden / partnerschapsvoorwaarden geen quasi-legaat betreft en mitsdien niet ingeschreven hoeft te worden in het centraal testamentenregister.
Zij benadrukt dat de rechtszekerheid gebaat is met een uitspraak van de rechtbank in lijn met de handelwijze van de KNB.
Ofschoon de rechtbank hecht aan rechtszekerheid en duidelijkheid voor de samenleving op dit punt kan, zeker gezien het eerder overwogene, de enkele handelwijze van de KNB geen grondslag vormen die tot een ander oordeel leidt.
Het beroep van gedaagde op artikel 4:68 BW wordt gepasseerd.
Dit artikel bepaalt dat giften van erflater aan zijn echtgenoot buiten beschouwing worden gelaten voor zover zich, ten gevolge van een gemeenschap van goederen waarin erflater en de echtgenoot ten tijde van de gift waren gehuwd of ten gevolge van een tussen hen op dat tijdstip geldend verrekenbeding, geen verrijking ten koste van het vermogen van de gever heeft voorgedaan.
Dit artikel mist toepassing nu er geen sprake is van een gift maar van nakoming van een contractueel beding.
Bovendien ziet het op giften die zijn gedaan tijdens het bestaan van een huwelijksgoederenvermogen of onder vigeur van een tussen de partners geldend verrekenbeding.
Hiervan is in onderhavige zaak geen sprake.
Er is slechts het alsof-verrekenbeding bij dode.
De eisers hebben voor het geval de rechtbank het alsof-verrekenbeding niet zou aanmerken als quasi-legaat op grond van artikel 4:126 lid 1 onder a BW een beroep gedaan op de omzetting van een natuurlijke verbintenis die conform artikel 4:126 lid 1 onder c BW ook als quasi-legaat moet worden aanmerkt.
Gezien het voorgaande behoeft deze stelling geen nadere bespreking.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over een legaat of quasi-legaat, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.
Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.