De Rechtbank Rotterdam heeft op 24 november 2021 uitspraak gedaan over de vraag of er een rechtmatig belang bestond op de inzage van bescheiden van de nalatenschap.

Op 31 oktober 2019 is te R overleden erflaatster.

Erflaatster was de moeder van verweerder en eiser.

Verweerder en eiser zijn volgens het testament van erflaatster van 19 juni 1990 samen de erfgenamen van erflaatster.

De hoofdzaak ziet met name op de verdeling van de nalatenschap van erflaatster.

Partijen zijn broer en zus en allebei erfgenaam in de nalatenschap van hun moeder.

De zus wil meer gegevens hebben van haar broer.

Erfrecht. Recht op informatie. Recht op inzage van bescheiden van de nalatenschap. Rechtmatig belang. Inzage in originele stukken? Veroordeling tot medewerking tot het verkrijgen van inzage in de bankrekeningen van erflaatster.

De rechter oordeelt als volgt.

De rechtbank begrijpt dat eiser haar vordering heeft gegrond op de artikelen 843a en 843b Rv.

Artikel 843a Rv ziet niet op een algemeen recht op inzage, afschrift of uittreksel.

Een vordering op grond van artikel 843a Rv kan slechts worden toegewezen indien degene van wie inzage, afschrift of uittreksel van bescheiden wordt gevorderd deze bescheiden tot zijn beschikking of onder zijn berusting heeft en daarnaast voldaan is aan alle in het eerste lid van dat artikel genoemde voorwaarden, te weten

1) de eiser of verzoeker dient een rechtmatig belang te hebben,

2) de vordering dient betrekking te hebben op bepaalde bescheiden en

3) bescheiden dienen een rechtsbetrekking te betreffen waarin de eiser of verzoeker of zijn rechtsvoorganger partij is.

Artikel 843b Rv bepaalt dat hij die een bewijsmiddel heeft verloren, van degene die de beschikking heeft over bescheiden die tot bewijs kunnen dienen van enig feit waarop het verloren bewijsmiddel betrekking had, of die zodanige bescheiden onder zijn berusting heeft, kan vorderen daarvan te zijnen behoeve op zijn kosten, voor zover nodig, inzage, afschrift, of uittreksel te verschaffen.

Onder bescheiden worden mede verstaan: op een gegevensdrager aangebrachte gegevens.

Volgens verweerder heeft eiser geen rechtmatig belang bij haar vordering.

De rechtbank volgt verweerder daarin niet.

Eiser is als erfgenaam deelgenoot in de nalatenschap van erflaatster.

De eisen van redelijkheid en billijkheid brengen mee dat zij over en weer recht hebben op informatie over de omvang en samenstelling van de nalatenschap (artikel 3:166 lid 3 BW).

Hieruit volgt dat op een erfgenaam de verplichting rust aan zijn mede-erfgenamen inzage te geven in de gegevens die hij onder zich heeft, voor zover die mede-erfgenaam die gegevens nodig heeft voor het bepalen van zijn erfrechtelijke aanspraken.

De te verstrekken informatie moet zo ruim mogelijk worden uitgelegd (zie ook Hof ’s-Hertogenbosch, 13 juli 2021, GHSHE:2021:2192).

Het rechtmatig belang is daarom gegeven naar het oordeel van de rechtbank.

Hieronder zal echter beoordeeld worden of de gevorderde stukken ook kunnen worden toegewezen.

Origineelbewijsstuk van de goederen die na het overlijden door de uitvaartonderneming zijn afgegeven en waarvoor de partner van verweerder heeft getekend (het formulier “overdracht persoonlijke bezittingen”) en origineelcodicil

Eiser wenst het originele formulier van de overdracht persoonlijke bezittingen van de uitvaartondernemer te ontvangen, omdat volgens haar is geknoeid met de kopie die zij heeft ontvangen van verweerder.

De volledige linker kantlijn van het formulier is volgens eiser weggelaten uit de kopie en daarnaast is het niet logisch dat bij een natuurbegrafenis drie ringen en twee armbanden in de kist zijn meegenomen.

Eiser heeft het vermoeden dat er dingen zijn weggelakt op de kopie en wil daarom graag het originele formulier hebben.

Eiser is daarnaast van mening dat verweerder het originele codicil van 8 mei 1998 heeft waarin erflaatster haar sieraden aan eiser toebedeelt.

Erflaatster bewaarde dit codicil in haar secretaire en verweerder had tot 5 december 2019 als enige de vrije toegang tot de woning, zodat hij het moet hebben meegenomen, aldus eiser.

De vordering van eiser ziet op het verstrekken door verweerder van originele stukken.

De artikelen 843a en 843b Rv zien echter op het krijgen van inzage, een afschrift of een uittreksel van bescheiden en niet op het verstrekken van originele stukken.

Eiser heeft ook niet gesteld op grond van welk artikel verweerder wel veroordeeld moet worden om deze originele stukken aan eiser af te geven.

Op grond van artikel 22 Rv zou de rechtbank verweerder misschien kunnen veroordelen om originele stukken over te leggen, maar dan moet wel vaststaan dat verweerder deze stukken tot zijn beschikking heeft.

En dit laatste heeft verweerder gemotiveerd betwist.

De rechtbank ziet daarom onvoldoende gronden om verweerder te veroordelen deze originele bescheiden aan eiser te verstrekken, zodat de verstrekking van de onder a. en b. gevorderde stukken wordt afgewezen.

Dagafschrift van de overboeking van € 25.000,- op 9 juni 2009 waarop alle andere transacties van die dag ook op zijn weergegeven en bewijsstukken van welk bedrag is overgemaakt naar RBS, op wiens naam die rekening staat/stond en het hoe verloop van het saldo is geweest

Aan de onder c. en e. gevorderde stukken heeft eiser ten grondslag gelegd dat verweerder geld heeft geleend van erflaatster zoals uit de geldleningsovereenkomst van 14 mei 2009 volgt.

Uit de bankopdracht van 9 juni 2019 blijkt dat € 25.000,- moest worden overgeboekt naar verweerder en de rest naar RBS. Volgens eiser wordt met RBS bedoeld de Royal Bank of Scotland.

Voor zover eiser weet had erflaatster hier geen bankrekening.

Zij wil graag uit het bankafschrift van 9 juni 2009 opmaken waar dit restantbedrag naar toe is geboekt.

Volgens verweerder kan RBS ook de afkorting zijn van Rabobankspaarrekening die erflaatster wel bezat.

Verweerder heeft ontkend over deze bescheiden te beschikken.

Gelet op de datum en de bewaartermijn van de banken is ook het niet aannemelijk dat verweerder deze bankafschrift(en) nog kan opvragen.

Bovendien is de vordering onder e. onvoldoende bepaald, omdat onduidelijk is waarop RBS ziet.

Om deze redenen worden de onder c. en e. gevorderde stukken afgewezen.

Bewijsstukken, bankafschriften van verweerder en/of erflater waarop de aflossingen van de lening en betaling van de verschuldigde rente blijkt

Eiser wil graag weten of verweerder de geldlening van erflaatster heeft terugbetaald en de verschuldigde rente betaald heeft.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat het op de weg van verweerder ligt om zijn stelling te bewijzen dat de geldlening is terugbetaald en de rente betaald is.

Verweerder heeft in zijn conclusie van antwoord in het incident gesteld dat hij in de hoofdzaak in de conclusie van antwoord in reconventie het bewijs van de (terug)betaling zal overleggen, zodat eiser thans onvoldoende belang heeft bij toewijzing van het onder d. gevorderde.

Bankafschriften van alle rekeningen van erflaatster over de periode zeven jaar voor het overlijden tot heden

Volgens eiser heeft zij belang bij het verkrijgen van de bankafschriften om te bezien of erflaatster schenkingen heeft gedaan en zij een aanvullend beroep kan doen op haar legitieme portie.

Verweerder heeft reeds een groot aantal bankafschriften verstrekt en hij heeft zich op het standpunt gesteld dat hij niet meer bankafschriften tot zijn beschikking heeft en eiser geen belang heeft bij het verstrekken van meer bankafschriften.

De rechtbank is van oordeel dat eiser als mede-erfgenaam weldegelijk belang heeft bij de bankafschriften.

Verweerder stelt deze echter niet te hebben.

Het is de vraag of verweerder de bankafschriften zelf als erfgenaam kan opvragen, omdat als dat het geval was eiser, immers ook erfgenaam, dat zelf had kunnen doen.

Uit de brief met bijlagen die als productie bij de conclusie van antwoord is overgelegd blijkt voldoende dat eiser de bankafschriften niet zelf kan opvragen.

Daarnaast is het de vraag of de bankafschriften gelet op de bewaarplicht van zeven jaar nog over de periode van zeven jaar voor het overlijden van erflaatster beschikbaar zijn, want erflaatster is al twee jaar geleden overleden.

De rechtbank ziet daarom aanleiding om de primaire vordering tot afgifte af te wijzen, maar de subsidiaire vordering van eiser toe te wijzen en verweerder te veroordelen om binnen twee weken na dit vonnis zijn medewerking te verlenen aan inzage in de bankrekeningen van erflaatster zoals verzocht aan mr. S bij brief van 29 juni 2021.

Als er aan deze inzage kosten zijn verbonden, dan dienen deze gelet op artikel 843a Rv voor rekening van eiser te komen.

Omdat verweerder hieraan eerder niet wilde meewerken zal de rechtbank hieraan een dwangsom verbinden van € 100,- per dag voor iedere dag of dagdeel dat verweerder hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 2.000,-.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het recht op informatie over een nalatenschap, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.