De Rechtbank Limburg heeft op 12 april 2023 uitspraak gedaan over de vraag of een vorderingsrecht tot afgifte van een legaat was verjaard.

Eisers en gedaagde zijn zussen en broer van elkaar.

Eiser en eiseres zijn de kinderen van hun overleden broer.

Allen zijn de kinderen, respectievelijk kleinkinderen van vader.

In zijn testament van 20 december 1994 heeft vader de aandelen in zijn vennootschap A en de vennootschap B naar Belgisch recht aan gedaagde gelegateerd.

Erfrecht. Testament. Legaat. Is het vorderingsrecht tot de afgifte van het legaat verjaard? Aansprakelijkheid. Onrechtmatige daad. Schadevergoeding. Redelijkheid en billijkheid.

De rechter oordeelt als volgt.

Gedaagde en D hebben zich primair op het standpunt gesteld dat de vorderingen van eisers zijn verjaard, omdat de absolute verjaringstermijn van artikel 3:310 BW is verstreken.

De rechtbank zal dit verweer als eerste beoordelen, omdat, wanneer het verweer zou slagen, de conclusie dan is dat alle vorderingen moeten worden afgewezen.

Eisers hebben naar aanleiding van het door gedaagde en D gevoerde verweer betoogd dat geen sprake is geweest van volledige scheiding en deling in de notariële akte van 3 december 1996.

Zij beroepen zich op artikel 3:178 lid 1 BW, waarin is bepaald dat ieder der deelgenoten te allen tijde verdeling van een gemeenschappelijk goed kan vorderen en de vordering tot verdeling, gelet daarop, niet kán verjaren.

Dat betoog van eisers miskent echter dat geen sprake is van een verdeling, maar van een vorderingsrecht.

Op grond van het legaat heeft gedaagde de aandelen in de onderneming verkregen.

Moeder en eisers hebben op hun beurt een vordering op gedaagde verkregen ten aanzien van hun deel in de vastgestelde koopsom van die aandelen.

Naar het oordeel van de rechtbank is artikel 3:178 BW daarmee niet van toepassing.

Gedaagde heeft overigens terecht aangevoerd dat, zou wel sprake zijn geweest van een verdeling, de mogelijkheid tot vernietiging van die verdeling, ingevolge artikel 3:200 BW door het verstrijken van drie jaren na de verdeling komt te vervallen.

Subsidiair beroepen eisers zich op jurisprudentie van de Hoge Raad (HR:2020:1603 en HR:2020:1413), waaruit volgens hen zou volgen dat de verjaringstermijn van de rechtsvordering tot schadevergoeding pas na de ontdekking van de benadeling aanvangt, respectievelijk als de benadeelde voldoende zekerheid heeft verkregen dat de schade is veroorzaakt door ondeugdelijk handelen.

Volgens eisers is die kennis pas na 26 juni 2019 tot hen gekomen en was het voor hen onmogelijk deze kennis eerder te verkrijgen.

De door eisers aangehaalde jurisprudentie ziet echter op de relatieve verjaringstermijn van vijf jaar.

Op grond van artikel 3:310 BW verjaart een vordering tot schadevergoeding vijf jaar na aanvang van de dag volgend op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijk persoon bekend is geworden of redelijkerwijs had kunnen zijn en in ieder geval door verloop van twintigjaren na de gebeurteniswaardoor de schade is veroorzaakt.

Bekendheid van de benadeelde met de dader of de schade is voor de aanvang van de zogenaamde absolute verjaringstermijn van twintig jaar niet van belang.

Deze verjaringstermijn vangt aan met de gebeurtenis, waardoor de schade is veroorzaakt.

Die schadeveroorzakende gebeurtenis heeft zich in dit geval uiterlijk voorgedaan op de datum van het verlijden van de akte van verdeling, te weten op 3 december 1996.

D en gedaagde zijn voor het eerst aansprakelijk gesteld bij brieven van 11 respectievelijk 15 december 2020, hetgeen dus meer dan twintig jaar daarna is.

Ten slotte voeren eisers nog aan dat het beroep van gedaagde en D op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

In dit verband verwijzen zij ook naar jurisprudentie van de Hoge Raad (HR:2018:2047).

D en gedaagde wisten volgens hen van de onjuiste ‘badwill-constructie’.

Eisers menen dat het daarom misbruik van procesbevoegdheid zou zijn om zich nu op verjaring te beroepen.

Dat alleen al is jegens hen onrechtmatig, aldus eisers.

Eisers doelen hiermee op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 6:2 BW.

Voor toepassing daarvan bestaat alleen in zeer uitzonderlijke gevallen ruimte.

In het onderhavige geval is de rechtbank niet gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden die een beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid zouden rechtvaardigen.

Eisers hebben onvoldoende gesteld ter onderbouwing van het standpunt dat er sprake is van een onjuiste badwill-constructie, maar de rechtbank ziet daarnaast ook geen aanleiding om aan te nemen dat eisers niet hebben geweten hoe de aandelen zijn gewaardeerd.

In de akte van levering van de aandelen en de akte van verdeling is de waarde van de aandelen genoemd.

Het ligt niet voor de hand om te veronderstellen dat eisers deze akte blind hebben getekend.

In de memo van 15 december 1995 is door A het verzoek aan gedaagde opgenomen om zijn memo aan eisers te overhandigen.

Voor zover daar niet aan voldaan zou zijn, mag, gelet op het feit dat in de memo van A d.d. 19 april 1996 is vermeld dat deze memo naar eisers is verzonden, worden aangenomen dat eisers deze memo in ieder geval wel hebben ontvangen en ook hebben gelezen.

Daarin is de vastgestelde waarde van de aandelen eveneens vermeld en is de uitwerking van de verdeling en de door gedaagde gestelde voorwaarden opgenomen.

Eisers konden dus op de hoogte zijn van de getaxeerde waarde van de onderneming, dat wil zeggen de waarde van de aandelen en de onroerende zaken.

Verder stellen D dat het gebruikelijke praktijk was dat dergelijke memo’s werden toegelicht in een bespreking waarbij alle erfgenamen betrokken waren alsmede dat beide aktes bij de notaris uitvoerig zijn besproken.

Eisers betwisten dit, maar hebben deze betwisting verder niet onderbouwd.

Als het al zo zou zijn dat zij daadwerkelijk blind hebben getekend, dan komt de rechtbank tot het oordeel dat het voor hun risico en verantwoordelijkheid komt dat zij daarmee de daarin opgenomen koopprijs en wijze van verdeling hebben geaccepteerd.

De rechtbank is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat de vorderingen van eisers moeten worden afgewezen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.