Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 14 oktober 2021 uitspraak gedaan over de vraag of er een vergoedingsrecht bestond wegens een door de vrouw onder uitsluitingsclausule ontvangen erfenis.

Het gaat in deze zaak om de vraag of de vrouw een vergoedingsrecht heeft (op de gemeenschap, dan wel, bij ontoereikendheid van de gemeenschap, voor de helft op de man) wegens een door de vrouw onder uitsluitingsclausule ontvangen erfenis.

De vrouw voert aan dat zij een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap ter hoogte van het bedrag van de erfenis en – indien de gemeenschap niet toereikend is – voor de helft van dat bedrag op de man.

Zij heeft haar stellingen als volgt toegelicht.

De vrouw heeft een recht van reprise op grond van art. 1:96 lid 4 BW waarbij de vrouw erkent dat in dit geval recht bestaat op een nominale vergoeding omdat zij de erfenis heeft ontvangen vóór de inwerkingtreding van de Wet aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen op 1 januari 2012.

Het geld van de erfenis is gestort op een betaalrekening op naam van de vrouw.

Op deze rekening werden ook de kinderbijslag, vergoedingen van de vrouw voor haar diverse bestuursfuncties en schade-uitkeringen ten behoeve van beide partijen (vanwege een ongeval dat zij op 18 juli 2007 hebben gehad) gestort.

Van de betaalrekening op naam van de vrouw zijn vervolgens kosten van de huishouding, uitgaven ten behoeve van consumptieve bestedingen en kosten/ schulden van de maatschap voldaan, zijnde gemeenschapsschulden.

Alle financiële middelen waarover partijen beschikten werden aangewend voor het draaiende houden van het gezin en de maatschap, aldus de vrouw.

De vrouw kan de beslissing van de rechtbank niet rijmen met het arrest van de Hoge Raad van 5 april 2019 (HR:2019:504).

De privérekening van de vrouw behoort tot de huwelijksgemeenschap.

Door de overschrijving van de erfenis op deze rekening zijn de erfenisgelden, door vermenging, tot het gemeenschapsvermogen gaan behoren en de “poort van de gemeenschap” gepasseerd.

Nu uit dit gemeenschapsvermogen gemeenschapsschulden zijn voldaan, brengt dit geen wijziging in het vergoedingsrecht van de vrouw.

De gemeenschap is immers hierdoor gebaat.

Alle door de vrouw van haar bankrekening gedane uitgaven waren gemeenschapsschulden.

De vrouw heeft dan ook een vergoedingsrecht voor het totale bedrag van de met uitsluiting ontvangen erfenis (met uitzondering van het bedrag dat zij aan de kinderen heeft geschonken).

De man weerspreekt de grief.

De man betwist dat in het onderhavige geval zonder meer vermenging kan worden aangenomen, dan wel dat – indien van vermenging sprake zou zijn – dit van doorslaggevend belang is.

Het gaat hier om een privérekening van de vrouw en niet om een gemeenschappelijke rekening.

Het vergoedingsrecht van de vrouw kan geen betrekking hebben op kosten van de huishouding, aldus de man.

Een cruciaal verschil met het geval dat ten grondslag lag aan het arrest van de Hoge Raad van 5 april 2019 is dat in het onderhavige geval zich de situatie voordoet dat de vrouw overeenkomstig haar fourneerplicht van art.1:84 BW heeft bijgedragen aan de kosten van de huishouding (en niet de situatie dat de vrouw wellicht te weinig heeft bijgedragen aan die kosten op grond waarvan de man een vordering heeft op de vrouw die mogelijk bij de verdeling van de gemeenschap kan worden verdisconteerd).

Nu de vrouw conform art 1:84 BW haar privévermogen moest aanwenden voor de kosten van de huishouding komt haar geen vergoedingsrecht toe, aldus de man.

De man betwist dat de erfenisgelden ook zijn aangewend voor consumptieve bestedingen, die niet onder noemer kosten van de huishouding kunnen worden geschaard. Dure auto’s en dure vakanties bijv. waren er niet. De vrouw toont het ook niet aan.

Erfrecht. Testament. Uitsluitingsclausule. Vergoedingsrecht. Kosten van de huishouding. Privévermogen of gemeenschapsvermogen? Vermenging? Draagplicht.

De rechter oordeelt als volgt.

Vast staat dat de vrouw onder uitsluitingsclausule een bedrag van €158.796,57 van haar vader heeft geërfd.

Deze bedragen zijn gestort op een privérekening op naam van de vrouw.

Uit de door de vrouw overgelegde producties blijkt voorts dat op de peildatum – 26 maart 2018 – van het bedrag van de erfenis (en van de bijgeschreven rente) niets over is.

De door de vrouw ontvangen erfenis behoort, nu daaraan een uitsluitingsclausule was verbonden, tot het privévermogen van de vrouw (art. 94 lid 2 sub a (oud) BW).

Het standpunt van de vrouw komt er naar de kern genomen op neer dat zij, voor het gehele bedrag van de erfenis, ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 5 april 2019 (HR:2019:504) een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap (en bij ontoereikendheid van de gemeenschap voor de helft van het bedrag op de man), omdat haar privérekening, waarop de erfenis is overgeschreven, behoort tot de huwelijksgemeenschap, en de erfenis, door overschrijving daarvan op de rekening, door vermenging, tot het gemeenschapsvermogen is gaan behoren.

Het feit dat de erfenis op een rekening is gestort die alleen op naam staat van de vrouw houdt echter niet in dat die erfenis “tot het gemeenschapsvermogen is gaan behoren” (in de zin van het arrest van de Hoge Raad).

Deze enkele omstandigheid is onvoldoende om de erfenis (die onder uitsluitingsclausule is verkregen) als deel uitmakend van de huwelijksgemeenschap aan te merken.

De vrouw beroept zich ook nog op vermenging, maar daarvan is geen sprake.

Zo bedroeg het saldo van de rekening slechts een bedrag van € 765,90 voordat op deze rekening op 28 november 2002 (het overgrote deel van) de erfenis ad € 158.796, 57 werd gestort.

Niet kan dan ook worden gezegd dat de erfenisgelden (en de besteding daarvan) niet meer als zodanig identificeerbaar en traceerbaar waren.

Over de stelling van de vrouw dat de erfenis is “opgegaan aan het voldoen van gemeenschapsschulden” overweegt het hof als volgt.

In art. 1:84 lid 1 BW is bepaald dat de kosten van de huishouding achtereenvolgens ten laste komen van (1) het gemene inkomen, (2) de eigen inkomens naar evenredigheid daarvan, (3) het gemene vermogen en (4) de eigen vermogens naar evenredigheid daarvan, tenzij bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten.

De vrouw heeft in hoger beroep geen grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de vrouw met haar privévermogen naar evenredigheid heeft bijgedragen aan de kosten van de huishouding toen er onvoldoende inkomsten waren.

Zij heeft – bijna in tegendeel – ook in hoger beroep het volgende aangevoerd:

”Gedurende de jaren 2001 t/m 2015, het gehele bedrag dat de vrouw uit de erfenis van haar vader heeft verkregen alsmede de overige bedragen die zij op haar bankrekening bijgeschreven heeft gekregen, zijn verdampt en zijn opgegaan aan uitgaven in verband met de kosten van de huishouding/consumptieve bestedingen en kosten/schulden van de maatschap” en: “Alle financiële middelen waarover partijen beschikten werden aangewend voor het draaiende houden van het gezin en de maatschap”.

Het moet er dan ook voor gehouden worden dat de vrouw – overeenkomstig de in art. 1:84 lid 1 BW geregelde draagplicht – welke is opgenomen in titel 1.6 BW en behoort tot haar verplichtingen als echtgenoot jegens in dit geval de man – met haar privévermogen naar evenredigheid heeft bijgedragen aan de kosten van de huishouding.

Omdat de vrouw voldaan heeft aan een op haar rustende verbintenis, is er geen plaats voor een vergoedingsrecht.

Niet jegens de gemeenschap en niet jegens de man. Het hoger beroep van de vrouw slaagt niet.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over vergoedingsrechten in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.