De Rechtbank Rotterdam heeft op 18 oktober 2021 uitspraak gedaan over verzet tegen de uitdelingslijst van een vereffenaar en over de inkorting van een legaat vanwege een tekort van de nalatenschap tot uitbetaling van de volledige legitieme.

Erflater heeft op 3 juli 2017 zijn testament opgemaakt.

Erflater heeft zijn kinderen en hun afstammelingen onterfd.

Verweerster is benoemd tot vereffenaar van de nalatenschap van erflater.

De vereffenaar heeft in de nalatenschap van erflater op 30 april 2021 de rekening en verantwoording en de slotuitdelingslijst neergelegd op de griffie van de rechtbank, zoals voorgeschreven in artikel 4:218 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW).

Verzoekers vragen de kantonrechter primair de neergelegde uitdelingslijst niet goed te keuren en de vereffenaar te verplichten het legaat van € 104.000,- ten behoeve van hen in te korten, wat wordt ingekort uit te keren en de uitdelingslijst vervolgens te wijzigen.

Erfrecht. Vereffening. Verzet tegen uitdelingslijst. Legitieme. Tekort. Inkorting van een legaat. Opeisbaarheid legaat.

De rechter oordeelt als volgt.

Het saldo van de nalatenschap is onvoldoende om de legitieme porties van de vier nog levende kinderen van erflater en van het kleinkind dat in de plaats treedt van het overleden kind van erflater, volledig te betalen.

Er komt een bedrag van € 109.824,52 te kort.

Dit tekort moet aangevuld worden door in te korten op de door erflater in zijn testament gedane ‘makingen’, de legaten zoals genoemd onder 2.3 onder B. en in artikel 3.

Het uitgangspunt van artikel 4:87 lid 2 BW is dat alle legaten gelijkelijk naar evenredigheid van hun waarde voor inkorting in aanmerking komen.

Dit is anders als uit het testament iets anders voortvloeit en dat is in deze nalatenschap het geval.

In artikel 7 van het testament heeft erflater onder B. immers bepaald dat eerst het legaat aan zijn partner moet worden ingekort.

Het legaat aan de partner (€ 150.000,-) is voldoende om het tekort van de legitimarissen (€ 109.824,52) te voldoen.

De partner hoeft dit bedrag echter niet nu aan de legitimarissen te betalen.

Erflater bepaalt in artikel 7 onder C van zijn testament immers dat een vordering van de legitimarissen op zijn partner pas opeisbaar wordt na het overlijden van zijn partner.

Verzoekers stellen dat hierdoor de inkorting pas kan plaatsvinden als de partner komt te overlijden.

Dit standpunt is echter onjuist.

De inkorting vindt wel degelijk op het moment van de verdeling plaats, waardoor de legitimarissen op het moment van de verdeling een vordering op de partner krijgen.

De partner hoeft deze vordering echter op dat moment niet te voldoen, omdat erflater heeft bepaald dat deze vordering nog niet opeisbaar is.

Erflater heeft in zijn testament gebruik gemaakt van de mogelijkheden die de wet hem biedt.

Omdat het legaat aan de partner op het moment van verdeling wel degelijk wordt ingekort en ook voldoende is om het tekort van de legitimarissen te voldoen, wordt aan inkorting van het legaat van legataris X niet toegekomen.

Het feit dat de vordering op de partner niet opeisbaar is, leidt niet tot een ander oordeel.

Ook in de door verzoekers aangehaalde literatuur wordt niet betoogd dat er in dat geval ingekort kan worden op de andere legataris dan de partner.

In de literatuur is men verdeeld over de vraag of in dat geval nog steeds de gehele vordering op de partner niet opeisbaar is.

De bezwaren van verzoekers zijn daar echter niet tegen gericht.

De kantonrechter ziet overigens in de wet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat een deel van de vordering op de partner opeisbaar wordt door de wijziging in de inkortingsvolgorde.

Verzoekers voeren aan dat uitvoering van het testament in voornoemde zin in strijd is met de redelijkheid en de billijkheid.

De kantonrechter ziet dit echter niet.

De uitbetaling van waar verzoekers nog recht op hebben duurt langer, of vindt wellicht helemaal nooit plaats, maar dit is hoe erflater het blijkens zijn testament heeft gewild en de wet bood hem de mogelijkheid dit zo te regelen.

De vereffenaar is gelet op het voorgaande niet gehouden, zoals verzoekers vragen, het legaat aan legataris X van € 104.000,- ten behoeve van hen in te korten.

Het verzet tegen de uitdelingslijst is met andere woorden ongegrond.

Omdat het verzet ongegrond is, zijn de verzoeken van verzoekers de vereffenaar te verplichten het legaat aan legataris X in te korten en de uitdelingslijst te wijzigen uiteraard ook niet toewijsbaar.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over de inkorting van legaten, makingen of giften bij een tekort van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.