De Rechtbank Limburg heeft op 16 juni 2021 uitspraak gedaan over de inbrengplicht voor een schenking onder oud recht.

Moeder is overleden. De verdeling van moeders nalatenschap heeft plaatsgevonden conform de ouderlijke boedelverdeling in moeders testament uit 1979.

Vervolgens is Vader overleden. De vererving van vaders nalatenschap wordt beheerst door Belgisch recht.

Voorop gesteld wordt dat naar oud Nederlands erfrecht er een inbrengplicht bestond tenzij de erflater anders heeft bepaald.

Art. 4:229 BW bepaalt thans dat door de erflater gedane giften moeten worden ingebracht voor zover de erflater dit heeft voorgeschreven.

Krachtens art. 922 Belgisch BW moeten schenkingen worden ingebracht.

Uit art. 792 Belgisch BW vloeit voort dat een erfgenaam die goederen van de nalatenschap verborgen houdt, geen aanspraak meer heeft op enig deel van dat goed.

De vererving van vaders nalatenschap wordt beheerst door Belgisch recht.

De juridische consequenties van door vader gedane giften dient te worden onderzocht op basis van Belgisch erfrecht.

Naar Belgisch recht geldt een inbrengplicht voor schenkingen, tenzij vader anders heeft bepaald, hetgeen vader niet heeft gedaan.

Erfrecht. Afwikkeling van nalatenschap van ouders. Inbreng. Giften. Inbrengplicht voor een schenking onder oud recht. Internationaal recht. Overgangsrecht. Berekening. Rente.

De rechter oordeelt als volgt.

De vererving van moeders nalatenschap wordt beheerst door Nederlands recht.

In de nalatenschap van moeder is ter zake de inbreng Nederlands erfrecht van toepassing.

Dat is in uitgangspunt het nu geldende erfrecht, dat uitgaat van het principe ‘geen inbreng, tenzij’ (zie artikel 4:229 lid 1 BW).

Op grond van het overgangsrecht in artikel 139 OBW zijn echter vóór 1 januari 2003 op basis van oud erfrecht ontstane inbrengplichten na die datum blijven bestaan.

In zoverre is ook het erfrecht naar oud-BW mogelijk relevant.

De nakoming van (eventuele) inbrengplichten naar oud-BW wordt vervolgens weer beheerst door het geldende erfrecht in Boek 4 BW (waaronder begrepen het bepaalde in 4:233 BW, inzake de waardering en de verhoging met rente).

Bij de vraag naar de inbrengplicht naar Nederlands recht is relevant of de gift vóór of na 1 januari 2003 is gedaan.

Indien de gift is gedaan vóór 1 januari 2003 is sprake van een inbrengplicht (tenzij moeder anders heeft bepaald).

Indien de gift is gedaan na 1 januari 2003 is geen sprake van een inbrengplicht (tenzij moeder anders heeft bepaald, hetgeen moeder niet heeft gedaan).

Voor de berekening van de aanspraak van de verschillende deelgenoten moet de inbrengplicht bij het saldo van de nalatenschap worden opgeteld.

Over de inbrengplicht in de nalatenschap van moeder hoeft niet gerekend te worden de rente als bedoeld in art. 4:233 BW omdat die rente verschuldigd is over de periode tussen het openvallen van de nalatenschap en de verdeling.

Op grond van de ouderlijke boedelverdeling heeft de verdeling onmiddellijk met het openvallen van de nalatenschap plaatsgevonden en kent de renteperiode hier nul dagen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over giften en inbreng in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.