Het Gerechtshof Den Haag heeft op 1 februari 2022 uitspraak gedaan over de vraag of de wettelijke verdeling van toepassing was op de nalatenschap van erflater.

Het gaat in deze zaak – kort weergegeven – om het volgende.

Geïntimeerden zijn de kinderen uit het eerste, door echtscheiding ontbonden, huwelijk van erflater.

Erflater heeft na de echtscheiding een affectieve relatie gekregen met appellante, met wie hij vervolgens in 1996 in algehele gemeenschap van goederen is gehuwd.

Erflater heeft op 9 april 1990 (dus onder het tot 1 januari 2003 geldende erfrecht) bij uiterste wil over zijn nalatenschap beschikt.

In de uiterste wil heeft erflater, kort weergegeven, het zakelijk recht van gebruik en bewoning van de door hem en appellante gemeenschappelijk bewoonde woning voor een periode van drie jaren na zijn overlijden gelegateerd aan appellante.

Verder heeft erflater, onder de last van dit legaat en onder verwijzing naar het samenlevingscontract dat erflater en appellant op dezelfde dag hebben gesloten, geïntimeerden ieder voor 3/8 deel en appellante voor ¼ deel benoemd tot erfgenamen van zijn nalatenschap.

Nadien is appellante, na verkregen juridisch advies, zich op het standpunt gaan stellen dat in deze de wettelijke verdeling op grond van artikel 4:13 Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing is, zodat de gehele nalatenschap haar in eigendom toekomt en geïntimeerden alleen een geldvordering hebben, die pas opeisbaar is bij overlijden van appellante.

Geïntimeerden zijn het hier niet mee eens.

Appellante heeft vervolgens geïntimeerden gedagvaard en heeft, naast nog enkele andere vorderingen, een verklaring voor recht gevorderd dat op de nalatenschap van erflater de wettelijke verdeling van artikel 4:13 BW van toepassing is en mitsdien alle goederen uit de nalatenschap door haar in eigendom zijn verkregen en geïntimeerden een vordering op haar krijgen als bedoeld in artikel 4:13 BW.

Boek 4 BW, dat de regelgeving van het (nieuwe) erfrecht inhoudt, is op 1 januari 2003 in werking getreden.

Geïntimeerden hebben de vorderingen bestreden en in reconventie de verdeling van de nalatenschap gevorderd op de door hen voorgestane wijze.

Over die wijze van verdeling zijn partijen het op zich eens: alle goederen gaan naar appellante en geïntimeerden hebben een geldvordering.

De vraag ligt voor of deze geldvordering eerst bij overlijden van appellante opeisbaar is (als de wettelijke verdeling van toepassing is) of aanstonds (als de wettelijke verdeling niet van toepassing is).

Erfrecht. Testament voor 1 januari 2003. Erflater na die datum overleden. Is de wettelijke verdeling zoals bepaald in artikel 4:13 BW van toepassing op de nalatenschap van erflater?

De rechter oordeelt als volgt.

Is de wettelijke verdeling zoals bepaald in artikel 4:13 BW van toepassing op de nalatenschap van erflater?

De kern van het geschil betreft de vraag of de inhoud van het testament van erflater is achterhaald door de invoering van het nieuwe erfrecht en of als gevolg daarvan de wettelijke verdeling van toepassing is.

Als de wettelijke verdeling zoals bepaald in artikel 4:13 BW van toepassing is, dan hebben geïntimeerden een vordering in geld op appellante, die pas bij haar overlijden opeisbaar is.

De eerste drie grieven van appellante gaan over deze vraag.

Het hof overweegt hierover als volgt en zal daarin betrekken enerzijds wat appellant in deze grieven en anderzijds geïntimeerden in reactie daarop naar voren hebben gebracht.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft geoordeeld dat de omstandigheden waaronder de uiterste wilsbeschikking is gemaakt en de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenste te regelen, leiden tot het buiten toepassing blijven van de wettelijke verdeling.

De rechtbank heeft – kort weergegeven – het volgende overwogen:

– Erflater kon op 9 april 1990 niet voorzien dat dertien jaar later de wettelijke verdeling in de wet zou worden opgenomen.

Het enkele feit dat in het testament de wettelijke verdeling niet met zoveel woorden is uitgesloten is dan ook onvoldoende om tot toepassing van artikel 4:13 BW te concluderen;

– Om te bepalen of in een testament gemaakt onder oud recht de wettelijke verdeling geacht moet worden te zijn uitgesloten, is uitleg op grond van artikel 4:46 BW nodig;

– Erflater heeft in zijn testament naast appellante uitdrukkelijk zijn kinderen tot erfgenamen benoemd en heeft hierbij ook de breukdelen die daarbij dienden te gelden, bepaald;

– Blijkens zijn testament heeft erflater er destijds bewust voor gekozen om zowel zijn levenspartner, waarmee hij op dat moment niet gehuwd was, als zijn kinderen goederenrechtelijk te laten meedelen in de nalatenschap; dit valt naar het oordeel van de rechtbank niet te rijmen met de wettelijke verdeling.

Het hof neemt deze gronden over en maakt deze – na eigen afweging – tot de zijne.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.