De Rechtbank Limburg heeft op 21 april 2021 uitspraak gedaan over de rechtsgeldigheid van een impliciete rechtskeuze.
Allereerst moet worden beoordeeld of de rechtbank bevoegd is om het onderhavige verzoek te behandelen en welk recht van toepassing is.
Het betreft namelijk een internationale zaak omdat de erflater de Duitse nationaliteit heeft.
Op 17 augustus 2015 is de Europese Erfrecht verordening (650/2012) in werking getreden.
Vaststaat dat erflater op in 2019 in Nederland is overleden en dat hij daar ook zijn gewone verblijfplaats had, zodat de verordening van toepassing is.
In artikel 4 van de verordening is bepaald dat de gerechten van de lidstaat waar de erflater op het tijdstip van overlijden zijn gewone verblijfplaats had, bevoegd zijn om uitspraak te doen over de erfopvolging in haar geheel.
Dit betekent dat in de onderhavige zaak de Nederlandse rechter bevoegd is het verzoek te behandelen.
Erfrecht. IPR. Erfrechtverordening. Testament. Rechtsmacht. Rechtskeuze. Toepasselijk recht. Overgangsrecht. Nationaliteit van de erflater. Impliciete rechtskeuze. Toetsing.
De rechter oordeelt als volgt.
Toepasselijk recht
Omdat onderhavig verzoek een internationaal karakter draagt, moet de rechtbank beoordelen welk recht van toepassing is.
Uit artikel 83 lid 4 Erfrechtverordening volgt dat als – zoals in dit geval – een uiterste wilsbeschikking is opgesteld vóór 17 augustus 2015 en is opgesteld in overeenstemming met het recht dat de erflater op grond van de Erfrechtverordening had kunnen kiezen, dat recht geldt als het op de erfopvolging toepasselijke recht.
Met verzoekster is de rechtbank van oordeel dat erflater een naar Duits recht geldende uiterste wilsbeschikking heeft opgesteld en daarin Duits recht heeft gekozen als het op de erfopvolging toepasselijke recht.
De rechtbank leidt dat af uit de artikelen 3 en 7 van het testament waarin respectievelijk wordt verwezen naar de juridische regels inzake erfopvolging en § 2079 Bürgerliches Gesetzbuch.
De rechtbank overweegt voorts dat Duits recht op grond van artikel 22 lid 1 Erfrechtverordening behoorde tot de keuzemogelijkheden van erflater omdat erflater op het tijdstip van de rechtskeuze in 2012 de Duitse nationaliteit bezat.
Dit blijkt uit de authentieke akte over huwelijkse voorwaarden van 2011 waarin staat dat erflater verklaart Duits staatsburger te zijn.
Tevens blijkt dit uit de wijziging en aanvulling omtrent de huwelijkse voorwaarden van 2011 in 2019.
Daarin staat beschreven dat erflater zich legitimeerde door zijn Duits identiteitsbewijs.
Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of de uiterste wilsbeschikking van erflater is opgesteld in overeenstemming met Duits recht.
Met verzoekster is de rechtbank van oordeel dat een onderhands testament een rechtsgeldige uiterste wilsbeschikking in Duitsland is op grond van § 2231 lid 2, § 2247 samen met § 2265 en § 2267 Bürgerliches Gesetzbuch.
Op basis van hetgeen dat is overwogen oordeelt de rechtbank dat het Duits recht in dit geval het toepasselijke recht is.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.
Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.