De Rechtbank Midden-Nederland heeft op 18 maart 2020 uitspraak gedaan over de vraag of de vordering tot de uitbetaling van saldo op een spaarbankboekje in een nalatenschap was verjaard.

Het meest verstrekkende verweer van de bank houdt in dat de vordering tot uitbetaling van het spaartegoed (het laatst vermelde saldo op het spaarbankboekje) is verjaard.

Omdat de bank zich echter pas op verjaring wenst te beroepen als zou worden geoordeeld dat op basis van het spaarbankboekje een rechtsgeldige vordering bestaat, zal de kantonrechter eerst stilstaan bij de vraag of B op grond van het spaarbankboekje een rechtsgeldige vordering heeft op de bank.

Erfrecht. Uitbetaling van saldo op spaarbankboekje. Is de vordering verjaard? Overgangsrecht.

De rechter oordeelt als volgt.

Bij de vraag of B op grond van het spaarbankboekje een rechtsgeldige vordering heeft op de bank is het volgende van belang.

Het spaarbankboekje is niet vergelijkbaar met een rekeningafschrift, zoals de bank betoogt, vanwege het reglement dat op het spaarbankboekje van toepassing is.

Uit de daarin opgenomen bepalingen volgt dat het spaarbankboekje een wezenlijk andere status heeft dan een rekeningafschrift, en veel meer behelst dan alleen het bieden van informatie over het tegoed op een bankrekening.

Zo is in artikel 6 van het reglement bepaald dat de aanbrenger van het spaarbankboekje geld kan opnemen bij de bank, waarna de bank aan haar verplichtingen jegens de inbrenger heeft voldaan.

Ook is in het reglement bepaald dat het spaarbankboekje wordt ingenomen door de bank als het gehele saldo wordt uitbetaald.

Het spaarbankboekje kan dan ook als bewijs dienen voor het bestaan van een spaartegoed.

Het spaarbankboekje zelf bevat geen aanwijzingen waaruit blijkt dat het laatst genoteerde saldo is uitbetaald.

Was het saldo uitbetaald, dan had dit op grond van artikel 3 van het reglement moeten zijn aangetekend op het spaarbankboekje, net zoals eerdere uitbetalingen, die wel duidelijk zichtbaar in het spaarbankboekje zijn afgetekend.

Ook blijkt nergens uit dat het spaarbankboekje op enig moment door de bank is ingenomen en is afgetekend, hetgeen volgens artikel 5 van het reglement had moeten gebeuren als het gehele spaartegoed door de bank was uitgekeerd.

De enige aanwijzing dat het saldo zou zijn overgeschreven op een rekening zou kunnen zijn dat er eenmalig op het spaarbankboekje een cijferreeks is bijgeschreven, die overeenkomt met de laatste zes cijfers van een in gebruik geweest bankrekeningnummer.

Op basis van alleen deze aanwijzing kan echter niet worden geconcludeerd dat het openstaande saldo op dat rekeningnummer is bijgeschreven.

Ook het spaarbankboekje buiten beschouwing latend, staat op dit moment niet vast dat de bank het op het spaarbankboekje vermelde saldo heeft overgemaakt op een rekening.

Uit het feit dat de bank in 1986 is gestopt met de spaarbankboekjes, en spaartegoeden heeft uitbetaald aan haar klanten, volgt niet zonder meer dat het saldo van het spaarbankboekje is uitgekeerd.

De stelling van de bank dat het saldo op het spaarbankboekje al eerder is betaald betreft een bevrijdend verweer.

Op grond van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) draagt de bank de bewijslast van deze stelling.

Voorafgaand aan de vraag of de bank zal worden toegelaten bewijs te leveren van deze stelling, dient echter eerst de vraag te worden beantwoord of de vordering is verjaard.

Is de vordering verjaard?

Bij de beoordeling of de vordering is verjaard is het volgende van belang.

De vordering tot uitbetaling van het saldo betreft een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd.

In artikel 3:307 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat een dergelijke rechtsvordering verjaard door verloop van 20 jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waartegen de opeising, zo nodig na opzegging door de schuldeiser, op zijn vroegst mogelijk was.

De kantonrechter is van oordeel dat de opeising van het spaartegoed op zijn vroegst mogelijk was op 31 december 1986.

Dit is de datum waarop de laatste bijschrijving op het spaarbankboekje heeft plaats gehad.

De verjaringstermijn was toentertijd 30 jaar, en is dus per 31 december 1986 aangevangen.

Ten tijde van de inwerkingtreding van het Nieuwe Burgerlijk Wetboek in 1992 was de verjaringstermijn nog niet verstreken.

Dat betekent dat op grond van artikel 73 van de Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek (Ow NBW) de op 31 december 1986 aangevangen verjaringstermijn van 30 jaren op 1 januari 1993 gewijzigd is in 20 jaren.

Hieruit volgt dus dat op grond van de wettelijke bepalingen omtrent verjaring de vordering op 1 januari 2007 is verjaard.

Artikel 16 van het reglement, waarin is bepaald dat het spaartegoed dat op het spaarbankboekje is vermeld vervalt als gedurende 30 jaar geen inlagen of terugbetalingen hebben plaatsgehad, maakt dit niet anders.

Uitgaande van die termijn is het spaartegoed komen te vervallen op 1 januari 2017.

Een beroep op deze termijn kan B dus ook niet baten.

B heeft als verweer tegen de verjaring aangevoerd dat de bank op grond van een coulanceregeling gehouden is het laatst vermelde spaartegoed op het spaarbankboekje uit te betalen.

Een coulanceregeling is echter rechtens niet afdwingbaar, zodat ook op deze grondslag de vordering van B niet toewijsbaar is.

De vordering van B is verjaard en om die reden zal de vordering moeten worden afgewezen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over verjaring in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.