Het Gerechtshof Den Haag heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over de informatieplicht en de medewerkingsplicht van erfgenamen tot het verstrekken van inlichtingen tegenover elkaar.

Het testament van erflater is opgemaakt onder oud erfrecht en betreft een zogeheten ouderlijke boedelverdeling op de voet van artikel 4:1167 BW (oud).

Dit houdt in een verdeling van de nalatenschap door middel van een daarop gerichte uiterste wilsbeschikking.

Erflater is onder het nieuwe erfrecht overleden, maar krachtens het overgangsrecht van artikel 79 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek (Ow) heeft het testament van erflater zijn werking behouden.

De ouderlijke boedelverdeling heeft goederenrechtelijk effect door het enkele feit van overlijden.

Enige levering is niet vereist (artikel 129 lid 3 Ow).

Het onderhavige geschil beperkt zich tot de kwestie of appellante gehouden is de financiële bescheiden aan geïntimeerde te verstrekken, waartoe zij krachtens het bestreden vonnis is veroordeeld en of de daaraan verbonden dwangsom terecht is opgelegd.

Het hof zal de grieven van partijen zo veel mogelijk gezamenlijk behandelen.

Appellante is het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat zij binnen vier weken na de datum van het bestreden vonnis de genoemde bescheiden aan geïntimeerde dient te verstrekken, onder verbeurte van een dwangsom.

Zij voert daartoe het volgende aan:

Nu appellante geen executeur meer is, dient de boedelbeschrijving door beide erfgenamen plaats te vinden gelet op de inhoud van het testament van erflater.

Op appellante rust een inspanningsverplichting (waaraan zij heeft voldaan door onmiddellijk na het vonnis contact op te nemen met de desbetreffende buitenlandse banken) en geen resultaatsverplichting.

Geïntimeerde bestrijdt de stellingen van appellante.

Volgens haar had appellante wel degelijk de juiste informatie kunnen overleggen, maar laat zij dit bewust na.

Op grond van artikel 4:16 lid 4 BW is appellante ook in haar hoedanigheid van erfgenaam gehouden om geïntimeerde te informeren.

Onderlinge informatieplicht van erfgenamen over de omvang en samenstelling van de nalatenschap en medewerkingsplicht van erfgenamen tot het verstrekken van inlichtingen tegenover elkaar.

Het hof overweegt als volgt.

In het testament van erflater is aan de erfgenamen de last en verplichting opgelegd bij notariële akte een beschrijving op te maken van de nalatenschap van erflater, daarbij tevens de toegedeelde zaken te specificeren en de grootte van de toegedeelde vordering wegens overbedeling ten bedrage van het zuiver erfdeel van geïntimeerde te berekenen.

Deze door erflater opgelegde ‘last en verplichting’ brengt naar het oordeel van het hof met zich dat partijen als erfgenamen van erflater elkaar dienen te informeren om de omvang en samenstelling van de nalatenschap per datum overlijden erflater en dat zij elkaar de nodige medewerking dienen te verlenen teneinde informatie van bijvoorbeeld financiële instellingen te verkrijgen.

Appellante heeft in zoverre terecht naar voren gebracht dat het gaat om een wederzijdse verplichting.

Of artikel 4:16 BW, dat ziet op het versterferfrecht, ook op de testamentaire ouderlijke boedelverdeling van toepassing is, kan hiermee in het midden blijven.

Appellante kan aan geïntimeerde enkel de voormelde gegevens per sterfdatum van de erflater verstrekken voor zover zij daarover de beschikking heeft of redelijkerwijs kan krijgen.

Op haar rust in zoverre een inspanningsverplichting en geen resultaatsverplichting.

Appellante is in het bestreden vonnis op straffe van verbeurte van een dwangsom veroordeeld tot het binnen vier weken verstrekken van stukken waarvan onduidelijk is of appellante deze bij derden binnen dat korte tijdsbestek kan verkrijgen.

Dat gaat de inspanningsverplichting van appellante, zoals hiervoor omschreven, te buiten.

In zoverre slagen de grieven.

Het hof merkt in dit kader nog op dat geïntimeerde erkent dat zij inzage had in de administratie van erflater en appellante.

Naar het oordeel van het hof staat geïntimeerde in haar hoedanigheid van erfgenaam van erflater derhalve niets in de weg om op basis van die kennis met een door een notaris op te stellen verklaring van erfrecht zelfstandig financiële informatie bij de desbetreffende derden in te winnen.

Het overige dat door partijen is gesteld behoeft geen verdere bespreking aangezien dit niet relevant is voor de beoordeling van het onderhavige geschil.

Wel raadt het hof partijen aan om met de notaris om de tafel te gaan zitten voor het vinden van een oplossing en het conflict niet verder te laten escaleren.

Gelet op het vorenstaande zal het hof het bestreden vonnis overeenkomstig de vordering van appellante vernietigen.

 Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over een ouderlijke boedelverdeling, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.