De Rechtbank Den Haag heeft op 21 september 2022 uitspraak gedaan over de uitleg van een testament.
In deze zaak gaat het om de (nadere) verdeling van twee nalatenschappen.
De nalatenschap van de heer A, hierna ook oom of erflater te noemen en de nalatenschap van mevrouw B, hierna ook tante of erflaatster genoemd.
Partijen zijn het niet eens over de uitleg van de erfstelling onder D in het testament van oom (erflater), die luidt:
ERFSTELLING
Onder de last van de hierboven sub C. genoemde legaten, benoem ik tot enige erfgenamen mijner gehele nalatenschap, tezamen en voor gelijke delen:
- de kinderen van mij zuster, (…); en
- de kinderen van mijn broer (…).”
Volgens eiser volgt uit de erfstelling dat de kinderen ieder voor een gelijk deel erven.
Elk kind is voor 1/5e deel gerechtigd tot de nalatenschap van oom (erflater).
Door het overlijden zijn eisers ieder voor 3/10e (1/5e + 1/2e van 1/5e) deel ofwel 30% gerechtigd tot de nalatenschap van oom (erflater).
Gedaagde betoogt dat het testament is opgesteld onder vigeur van het oude erfrecht.
In tegenstelling tot het huidige erfrecht kende het oude erfrecht niet het parentele stelsel, op grond waarvan iedere erfgenaam binnen een parentele hoofdelijk en voor een gelijk deel erft.
De vermelding in de erfstelling van de twee groepen erfgenamen alsmede het wettelijk systeem waaronder het testament is opgesteld, kan volgens gedaagde tot geen andere conclusie leiden dan dat het de bedoeling van oom (erflater) was om zijn nalatenschap bij helfte te delen over de staak van zijn vooroverleden zuster en over de staak van zijn vooroverleden broer.
Dat betekent dat gedaagden en eisers, na het overlijden, thans ieder voor 1/4e deel gerechtigd zijn tot de nalatenschap van oom (erflater).
Erfrecht. Uitleg van een testament. Oud recht. Overgangsrecht. Vaststellen van de erfdelen op grond van het testament. Plaatsvervulling? Staaksgewijze verdeling?
De rechter oordeelt als volgt.
De rechtbank overweegt dat het testament in 2002 is opgesteld en dat oom (erflater) in 2002 is overleden zodat de nalatenschap is opengevallen onder het regime van het oude erfrecht.
Gelet op artikel 69 Overgangswet Nieuwe BW moet het geschil worden beoordeeld aan de hand van het toen geldende recht, te weten de artikelen 932-934 oud BW.
Gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 22 januari 1965, NJ 1966, 177, HR 9 april 1965, NJ 1966, 178, en HR 3 december 2004, NJ 2005, 58) betekent dit dat bij de uitleg van het testament mede dient te worden gelet op de verhoudingen die de erflater bij de beschikking heeft willen regelen en op de omstandigheden waaronder deze is gemaakt.
Deze maatstaf ligt overigens ook ten grondslag aan het ontwerp van het huidige artikel 4:46 lid 1 BW dat op 1 januari 2003 in werking is getreden, zodat er in zoverre geen verschil is tussen oud en nieuw erfrecht.
Aan de hand van genoemde maatstaf moet de rechtbank beoordelen wat erflater voor ogen stond op het moment waarop hij het testament liet opstellen.
Slechts als het testament onduidelijk is of geen duidelijke zin heeft moet door middel van uitleg van het testament de bedoeling van erflater uit daden of verklaringen van erflater buiten het testament worden vastgesteld.
Naar het oordeel van de rechtbank is de tekst van de erfstelling in het testament voldoende duidelijk en onderschrijft deze tekst de uitleg door eisers.
In de erfstelling staat: “tezamen en voor gelijke delen”.
Hieruit maakt de rechtbank op dat oom (erflater) wilde dat alle (ten tijde van het passeren van het testament vijf) kinderen van zijn broer en zuster een gelijk deel zouden erven.
Er is geen nadere bepaling opgenomen en er wordt in de erfstelling ook niet verwezen naar het versterferfrecht.
De term ‘staaksgewijs verdelen’ ontbreekt, net als enige bepaling in het testament dat de helft van zijn nalatenschap voor de kinderen van zijn zuster en de andere helft voor de kinderen van zijn broer zou zijn.
De erfgenamen erven uit eigen hoofde zodat een staaksgewijze verdeling op grond van plaatsvervulling niet aan de orde is.
Enkel het gebruik van de nummers 1 en 2 in de erfstelling bieden naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanleiding te concluderen dat oom (erflater) (desondanks) een staaksgewijze verdeling voorstond.
Hoewel het ten tijde van het testament geldende versterfrecht weliswaar een omstandigheid kan zijn die bij de uitleg een rol speelt, kan die rol niet doorslaggevend zijn in afwijking van de duidelijke bewoordingen in het testament.
Of onder het destijds geldende versterferfrecht staaksgewijs zou zijn verdeeld, kan onbesproken blijven.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het testament geen aanwijzing bevat voor de uitleg van gedaagde dat de nalatenschap bij helfte moet worden verdeeld over de staak van de vooroverleden zuster en over de staak van de vooroverleden broer van oom (erflater).
De rechtbank zal de vordering van eisers om voor recht te verklaren dat eisers ieder recht hebben op 3/10e deel ofwel 30% van de activa in de nalatenschap van oom (erflater) toewijzen.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.
Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.