De Rechtbank Rotterdam heeft onlangs uitspraak gedaan over de opeisbaarheid en de hoogte van de vorderingen van de kinderen in de nalatenschap van hun stiefmoeder.
De vorderingen hebben betrekking op de hoogte, de opeisbaarheid en het verhaal van vorderingen van de kinderen uit de nalatenschap van hun vader op hun stiefmoeder.
Hierna wordt eerst de situatie geschetst.
Daarna worden achtereenvolgens de vorderingen in conventie en in reconventie vermeld en besproken.
De vader van de kinderen, is overleden op 22 augustus 2017.
Vanaf 23 augustus 2008 was hij gehuwd met stiefmoeder.
In zijn laatste testament, van 22 augustus 2008, heeft hij onder III bepaald:
“Voor het geval mijn huwelijk met genoemde mevrouw A , hierna te noemen “echtgenote”, mocht worden voltrokken, beschik ik als volgt:
- GEEN WIJZIGING ERFDELEN
Ik wijk niet af van de wettelijke erfopvolging of van de wettelijke regels van plaatsvervulling.
- WETTELIJKE VERDELING
Ik bepaal dat mijn nalatenschap overeenkomstig de wet zal worden verdeeld, zodat alle tot mijn nalatenschap behorende goederen door mijn echtgenote worden verkregen terwijl de voldoening van de schulden van de nalatenschap voor haar rekening komt.
Ieder van mijn overige erfgenamen verkrijgt een geldvordering ten laste van mijn echtgenote ter grootte van de waarde van zijn erfdeel.
- BIJZONDERE BEPALINGEN
Voor deze verdeling geldt, in afwijking van het dienaangaande in de wet bepaalde, het volgende.
- De geldvorderingen van mijn kinderen op mijn echtgenote zijn, naast de gevallen in de wet bepaald, tevens opeisbaar:
- vier en twintig (24) maanden na mijn overlijden tenzij het tot mijn nalatenschap behorende appartement nog niet is verkocht;
- indien mijn echtgenote onder curatele wordt gesteld of indien aan haar surséance van betaling wordt verleend;
- indien mijn echtgenote hertrouwt of een geregistreerd partnerschap aangaat zonder het maken en handhaven van huwelijkse voorwaarden of partnerschaps-voorwaarden. Deze voorwaarden dienen in te houden de uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen zonder toevoeging van enig verrekenbeding dat leidt of kan leiden tot verrekening van door haar ten huwelijk of partnerschap aangebracht vermogen, tenzij zij zekerheid stelt voor de voldoening van de vorderingen;
- indien mijn echtgenote ter voorziening in haar levensonderhoud aanspraak maakt op een voorziening van overheidswege waarvoor een vermogenstoets wordt gehanteerd.
- De geldvorderingen van mijn kinderen zullen renteloos zijn, tenzij mijn erfgenamen in onderling overleg anders overeenkomen.
Indien mijn erfgenamen overeenkomen dat de vordering rentedragend zal zijn, is de rente eerst opeisbaar bij het opeisbaar worden van de vordering.”
Ten tijde van het opmaken van dit testament woonden vader en stiefmoeder in een appartement te B.
Later zijn ze samen verhuisd naar de woning te B.
Daar is vader overleden.
Ruim twee jaar later is stiefmoeder verhuisd naar een vakantiewoning.
Stiefmoeder is op 2 augustus 2022 opnieuw in het huwelijk getreden.
Blijkens de brief “vaststelling werkelijk erfdeel” van 29 mei 2018 zijn de kinderen en stiefmoeder toen overeengekomen dat ieder van de kinderen een vordering op stiefmoeder heeft ter grootte van zijn of haar erfdeel, dat voor elk der kinderen € 20.000,- bedraagt.
Erfrecht. Uitleg van een testament. In het testament is de wettelijke verdeling van toepassing verklaard. Vorderingen met betrekking op hoogte, opeisbaarheid en het verhaal van kinderen op hun stiefmoeder.
De rechter oordeelt als volgt.
Tegen deze achtergrond vorderen de kinderen dat voor recht wordt verklaard dat de vorderingen van hen op stiefmoeder € 20.000,- per kind bedragen en dat stiefmoeder wordt veroordeeld om dit bedrag binnen twee weken na dit vonnis aan de kinderen te voldoen.
De kinderen leggen hieraan ten grondslag dat de situaties bedoeld in de uit het testament geciteerde onderdelen C, aanhef en onder 1, aanhef en onder a en c (hierna kortweg aan te duiden als: sub a en sub c), zich voordoen.
Stiefmoeder heeft die vorderingen gemotiveerd betwist. Op hetgeen door partijen ter onderbouwing van hun stellingen is aangevoerd wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.
Stiefmoeder heeft betoogd dat in het testament de wettelijke verdeling voorop staat en daarmee de wens van vader om stiefmoeder verzorgd achter te laten en in de gelegenheid te stellen om haar bestaande leefpatroon voort te zetten.
Tegen deze achtergrond moet volgens stiefmoeder de bepaling sub a zo worden begrepen dat vader heeft bedoeld dat de vorderingen uitbetaald zouden moeten worden als er liquide middelen vrijkomen door de verkoop van de woning die onderdak biedt aan stiefmoeder.
Daarbij heeft zij ter zitting doen toelichten dat haar huidige echtgenoot terminaal ziek is en dat zij vreest na diens overlijden weer in het chalet te moeten gaan wonen.
De rechtbank kan stiefmoeder in dit verweer niet volgen.
Hiertoe is met name redengevend dat het voorbijgaat aan de in het testament expliciet “in afwijking van het dienaangaande in de wet bepaalde” getroffen regeling sub a, waarin niets verwijst naar de bedoeling om het onderdak van stiefmoeder veilig te stellen en (pas) de laatste eigen woning van stiefmoeder maatgevend te laten zijn, zoals stiefmoeder kennelijk betoogt.
Bovendien is in het in hetzelfde onderdeel van het testament sub d bepaalde al (mede) voorzien in de situatie dat stiefmoeder die laatste eigen woning moet verlaten wegens opname in een zorginstelling, zodat het niet in de rede ligt die situatie, of de in de wet al geregelde situatie van opeisbaarheid bij overlijden, als uitgangspunt of oogmerk van de regeling sub a te begrijpen, zoals stiefmoeder lijkt te betogen.
In de passage sub a wordt – integendeel – gesproken over “het tot mijn nalatenschap behorende appartement”, waarbij partijen het er wel over eens zijn dat dit na de gezamenlijke verhuizing van vader en stiefmoeder moet worden gelezen als “de tot mijn nalatenschap behorende woning”, namelijk de woning te B.
Die woning is inderdaad tot de nalatenschap van vader gaan behoren, hetgeen niet geldt voor het chalet.
Daarmee is die woning geen “willekeurige” onroerende zaak, zoals stiefmoeder nog heeft betoogd, maar de specifieke en unieke onroerende zaak waarop de regeling sub a betrekking heeft.
Van andersluidende afspraken tussen partijen is niet gebleken en in het bijzonder volgen zij niet uit eerdere eenzijdige berichten van stiefmoeder dat zij de bedragen betaalt zodra haar huis verkocht is – daarbij kennelijk doelend op het chalet – nog daargelaten dat zij inmiddels verklaard heeft te vrezen dat zij het chalet weer nodig gaat hebben.
Gelet op de verhoudingen die het testament kennelijk wenste te regelen en op de omstandigheden waaronder het testament is gemaakt, komt het vorenstaande erop neer dat de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten ziet voor de door stiefmoeder voorgestane uitleg en dat daarom de vorderingen van de kinderen opeisbaar zijn geworden ten tijde van de verkoop van de woning in november 2019 en dus meer dan 24 maanden na het overlijden van vader.
Dit betekent dat de vorderingen van de kinderen met betrekking tot de verklaring voor recht en de veroordeling van stiefmoeder tot betaling toewijsbaar zijn, evenals de wettelijke rente daarover vanaf 2 augustus 2022, nu stiefmoeder eerst op 2 mei 2022 tot betaling is aangesproken en haar daarbij een termijn van drie maanden is gegeven.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.
Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.